Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2021:8058Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Mensenhandelslachtoffer krijgt geen humanitaire verblijfsvergunning toegekend — RBDHA:2021:8058

verblijfsvergunning humanitaire gronden / mensenhandel / vreemdelingenrecht

Eiser / verzoeker

Nigeriaanse man (slachtoffer mensenhandel)

VS

Verweerder / gedaagde

Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de weigering van de tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning.

  • Het OM seponeerde het strafrechtelijk onderzoek wegens gebrek aan rechtsmacht en aanknopingspunten, waardoor niet werd voldaan aan de wettelijke voorwaarde van artikel 3.48 lid 1 sub a Vb voor een humanitaire verblijfsvergunning.
  • Het slachtofferschap van mensenhandel is voor de beoordeling van deze verblijfsvergunning niet relevant; de vergunning dient uitsluitend het belang van strafvervolging.
  • Afwijking van artikel 3.48 Vb wegens bijzondere omstandigheden is niet mogelijk omdat het een algemeen verbindend voorschrift betreft, geen beleid.
  • Het achterwege laten van een hoorzitting in bezwaar was toegestaan omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was (artikel 7:3 sub b Awb).

Samenvatting

Een Nigeriaanse man die stelde slachtoffer te zijn van mensenhandel, vroeg in Nederland een tijdelijke verblijfsvergunning aan op humanitaire gronden. Die aanvraag was gebaseerd op zijn aangifte van mensenhandel, die automatisch wordt aangemerkt als een verzoek om zo'n verblijfsvergunning. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde de vergunning te verlenen en verklaarde ook het bezwaar van de man ongegrond. Daartegen tekende de man beroep aan bij de rechtbank Den Haag.

Het Openbaar Ministerie had het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte geseponeerd. De reden daarvoor was tweeledig: Nederland had geen rechtsmacht over de zaak én er waren onvoldoende aanknopingspunten voor verder politieonderzoek. De aanwezigheid van de man in Nederland werd door het OM niet noodzakelijk geacht voor opsporing of vervolging van mensenhandel.

De man voerde aan dat het sepot hem als slachtoffer niet minder kwetsbaar maakt. Hij zou bij terugkeer naar Nigeria nog steeds in gevaar zijn. Bovendien kon volgens hem niet van hem worden verwacht dat hij zelf bewijs aanleverde voor zijn slachtofferschap. Ook klaagde hij erover dat hij nooit gehoord was tijdens de bezwaarprocedure.

De rechtbank oordeelde echter dat het slachtofferschap van mensenhandel in deze procedure simpelweg niet ter zake doet. De verblijfsvergunning die aan slachtoffers van mensenhandel kan worden verleend, heeft als doel het mogelijk maken van medewerking aan strafrechtelijke vervolging — niet het bieden van bescherming op zichzelf. Nu het OM het onderzoek had geseponeerd, voldeed de man niet aan de wettelijke voorwaarde voor deze vergunning.

Ook het argument dat de staatssecretaris in zijn specifieke situatie een uitzondering had moeten maken, werd verworpen. De regel waarop de weigering was gebaseerd is namelijk geen beleid maar een algemeen verbindend voorschrift, waarvan niet via de hardheidsclausule kan worden afgeweken. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het achterwege laten van een hoorzitting gerechtvaardigd was, omdat het bezwaar zo duidelijk kansloos was dat een hoorzitting geen toegevoegde waarde had. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Betrokken advocaten

mr. I.M. Hagg

eiser

Noordstern Advocaten, AMSTERDAM

mr. H.J. Metselaar

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

21 juli 2021

Zaaknummer

AWB 21/1478

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2021:8058

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst schadevergoeding af voor Ghanese man in vreemdelingenbewaring
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Ghanees krijgt geen verblijfsdocument EU/EER: relatie onvoldoende bewezen
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter bevestigt bewaring Marokkaanse asielzoeker in grensprocedure
Rechtbank Den Haag·7 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter: minister moet binnen 8 weken beslissen op Syrische asielaanvraag
Rechtbank Den Haag·7 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag na 21 maanden wachten
Rechtbank Den Haag·7 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht