ECLI:NL:RBDHA:2024:4980, Rechtbank Den Haag, 03-04-2024, 23_3048 en 23_3049 — RBDHA:2024:4980
Samenvatting
Eiser heeft in september 2022 aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2021. Bij uitblijven van een definitieve aanslag heeft hij de volgens aangifte verschuldigde inkomstenbelasting op 31 december 2022 betaald. Daarbij was kenbaar dat de betaling betrekking had op de inkomstenbelasting voor het jaar 2021. Op 14 februari 2023 is de definitieve aanslag IB/PVV opgelegd conform de ingediende aangifte. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht over de periode van 1 juli 2022 tot en met 23 januari 2023. Naar het oordeel van de rechtbank is over een te lange periode belastingrente berekend. Na betaling was geen sprake van een betalingsverzuim en kan niet gesproken worden van een niet betaalde hoofdsom en te compenseren renteschade. De periode waarover belastingrente is verschuldigd, eindigt met de betaling van de verschuldigde belasting. Dat aan eiser geen voorlopige aanslag is opgelegd maakt dit niet anders. De invoering van artikel 30ia van de AWR kan evenmin tot een ander oordeel leiden. De rechtbank vermindert de beschikking belastingrente. Beroep gegrond.
Betrokken advocaten
mr. C.M. Zijlstra
eiser
mr. M. Cvejic
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHAMS:2025:1956, Gerechtshof Amsterdam, 15-07-2025, 25/260, 25/261 en 25/262
Gerechtshof Amsterdam · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RVS:2025:195, Raad van State, 22-01-2025, 202305398/1/R1
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNHO:2023:12635, Rechtbank Noord-Holland, 15-12-2023, AWB - 20_4350
Rechtbank Noord-Holland · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBNHO:2021:6765, Rechtbank Noord-Holland, 10-08-2021, 15/086929-21 (A) en 15/058083-21 (B)
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 april 2024
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
23_3048 en 23_3049
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:4980