Rechtbank weigert evacuatie Afghaans gezin naar Nederland — RBDHA:2024:98
evacuatie / overbrenging naar Nederland vanuit Afghanistan na machtsovername Taliban
Eiser / verzoeker
Afghaans gezin (vier eisers) in Afghanistan
Verweerder / gedaagde
Minister van Buitenlandse Zaken
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond: de minister hoeft zich niet in te spannen om de Afghaanse eiser en zijn gezin naar Nederland over te brengen.
- Het evacuatiebeleid uit de Kamerbrief van 11 oktober 2021 is buitenwettelijk begunstigend beleid waarbij het kabinet ruime beleidsruimte heeft; niet-evacueren levert geen schending van fundamentele rechten op.
- De stichting waarvoor eiser werkte had nooit rechtstreeks subsidie ontvangen ten laste van de BZ/BHOS-begroting, en de PSOM-subsidie was verstrekt aan een particulier bedrijf, niet aan een ngo.
- Het relevante project liep in 2008-2009, terwijl de stichting pas in 2011 werd opgericht; werkzaamheden na 1 januari 2018 konden dus niet worden aangetoond.
- De motie-Belhaj geldt alleen voor personen die tijdens de acute evacuatiefase al waren opgeroepen maar niet konden vertrekken; eiser was nooit opgeroepen.
- Bijzondere individuele omstandigheden zoals vroege aanmelding en zwaarwegende persoonlijke belangen konden niet worden meegewogen in de beoordeling.
Samenvatting
Een Afghaans gezin dat na de machtsovername door de Taliban in 2021 hoopte naar Nederland te komen, heeft bij de rechtbank Den Haag het onderspit gedolven. De eiser had gewerkt als beveiligingsmedewerker voor een stichting die gelieerd was aan een Nederlandse organisatie actief in Afghanistan. Op verzoek van die stichting vroeg hij de minister van Buitenlandse Zaken om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. De minister weigerde, en de rechtbank heeft die weigering in stand gelaten.
Na de val van Kabul in augustus 2021 stelde het kabinet in een zogeheten Kamerbrief van 11 oktober 2021 twee afgebakende groepen vast die voor overbrenging naar Nederland in aanmerking kwamen. Het ging om medewerkers van door de overheid gefinancierde ontwikkelingsprojecten en om personen die hadden gewerkt voor Defensie of de Europese politiemissie EUPOL. Voor beide groepen golden strikte voorwaarden, waaronder minimaal één jaar structureel werk in een publiek zichtbare functie, en voordracht door een door de minister erkende ngo.
De eiser voldeed om meerdere redenen niet aan deze criteria. De stichting waarvoor hij werkte had nooit rechtstreeks subsidie ontvangen ten laste van de begroting van Buitenlandse Zaken. Een eerder toegekende subsidie via het zogeheten PSOM-programma was destijds verstrekt aan een particulier bedrijf, niet aan een ngo. Bovendien liep dat project in 2008-2009, terwijl de stichting zelf pas in 2011 werd opgericht. Van werkzaamheden voor het relevante project na 1 januari 2018 — zoals vereist — kon dan ook geen sprake zijn.
De eiser probeerde via meerdere juridische wegen toch aanspraak te maken op overbrenging. Zo stelde hij dat de zogenoemde motie-Belhaj, die was aangenomen tijdens de acute evacuatiefase, nog steeds op hem van toepassing was. De rechtbank verwierp dit: de motie was gekoppeld aan de periode vlak na de val van Kabul en geldt alleen nog voor mensen die destijds al waren opgeroepen maar niet konden vertrekken. Eiser was nooit opgeroepen.
Ook het beroep op bijzondere omstandigheden, zoals het feit dat hij zich vroeg had aangemeld en zwaarwegende persoonlijke belangen had, mocht de rechter buiten beschouwing laten. Het evacuatiebeleid is bewust restrictief opgesteld en de rechter heeft weinig ruimte om daar van af te wijken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder al vastgesteld dat het kabinet brede beleidsvrijheid had bij het vaststellen van dit beleid, en dat het niet-evacueren van mensen die er buiten vallen geen schending van fundamentele rechten oplevert, zelfs niet als zij gevaar lopen van de Taliban.
Tot slot wees de rechtbank ook het argument af dat de hoorplicht was geschonden doordat de eiser niet in persoon was gehoord tijdens de bezwaarprocedure. Verweerder had op basis van alle beschikbare informatie kunnen oordelen dat eiser niet aan de criteria voldeed, en er waren geen nieuwe feiten naar voren gekomen die een hoorzitting noodzakelijk maakten.
Het beroep werd ongegrond verklaard. De minister hoeft zich niet in te spannen om de eiser en zijn gezin naar Nederland te halen. Het gezin blijft in Afghanistan achter zonder perspectief op legale overbrenging via deze route.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:139, Rechtbank Den Haag, 10-01-2024, 23/814
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
ECLI:NL:GHDHA:2022:1248, Gerechtshof Den Haag, 12-07-2022, 200.287.502/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2022:2058, Rechtbank Den Haag, 11-03-2022, C/09/623959 / KG ZA 22-40
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2021:12781, Rechtbank Den Haag, 24-11-2021, C-09-594910-HA ZA 20-600
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
3 januari 2024
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
22/7504
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:98