Ontslag tijdens proeftijd beveiligers blijft rechtens overeind — RBDHA:2025:10453
ambtenarenrecht / ontslag tijdens proeftijd
Eiser / verzoeker
Eiseres, beveiliger bij de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie
Verweerder / gedaagde
Staatssecretaris van Defensie
Het beroep tegen het eervolle ontslag tijdens de proeftijd werd ongegrond verklaard en het ontslagbesluit blijft in stand.
- Ontslag tijdens proeftijd bij Defensie na aanhoudende tekortkomingen in functioneren (alertheid, initiatief, basiskennis)
- Ernstig vuurwapenincident waarbij de vrouw per ongeluk een schot loste versterkte de twijfels over haar geschiktheid
- Formeel gebrek: geen duidelijke termijn gesteld voor aanvraag hoorzitting in bezwaar, maar gebrek gepasseerd wegens gebrek aan benadeling
- Beroep op vertrouwensbeginsel verworpen: Defensie had juist consequent aangegeven dat functioneren onvoldoende was
- Verzoek om schadevergoeding afgewezen; vertraging in procedure deels aan eiseres zelf te wijten
Samenvatting
Een vrouw die als beveiliger werkte bij de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie stapte naar de rechter nadat ze tijdens haar proeftijd eervol was ontslagen. Ze was in januari 2021 aangesteld, maar al vroeg in 2022 uitten haar leidinggevenden zorgen over haar functioneren. Te weinig initiatief, onvoldoende alertheid tijdens rondes en gebrekkige vakinhoudelijke kennis waren de terugkerende kritiekpunten.
Defensie startte een verbetertraject, maar de problemen bleven aanhouden. Een ernstig incident in juni 2022, waarbij de vrouw per ongeluk een schot loste omdat ze dacht dat haar wapen leeg was, maakte de zorgen over haar functioneren nog groter. Toch gaf Defensie haar daarna nog een kans. Ondanks her en der zichtbare verbeteringen waren die niet consistent genoeg. Aan het einde van de verlengde proeftijd, in februari 2023, kreeg ze alsnog ontslag.
De vrouw vond dat dit onterecht was. Ze stelde dat haar verbeteringen onvoldoende waren meegewogen, dat het onderzoek naar haar functioneren onzorgvuldig was en dat een verklaring van een collega die haar kant steunde ten onrechte was genegeerd. Bovendien had Defensie tijdens het verbetertraject de indruk gewekt dat een positieve afronding zou leiden tot een vaste aanstelling, wat juridisch gezien een schending van het vertrouwensbeginsel zou zijn. Ook klaagde ze erover dat ze in de bezwaarprocedure niet gehoord was, terwijl ze daar wel om had gevraagd.
De rechtbank in Den Haag erkende dat er inderdaad iets mis was gegaan met de hoorzitting. Defensie had de vrouw weliswaar gevraagd of ze gehoord wilde worden, maar daarvoor geen duidelijke termijn gesteld. Toen ze niet direct reageerde, leidde Defensie uit haar latere schriftelijke reactie af dat ze geen hoorzitting wilde. Dat was juridisch gezien niet correct. Toch liet de rechtbank dit formele gebrek voor wat het was, omdat de vrouw in de beroepsprocedure alsnog alle kans had gekregen haar standpunten uitvoerig toe te lichten en daardoor geen nadeel had ondervonden.
Inhoudelijk stelde de rechtbank Defensie volledig in het gelijk. Het ontslag was terecht. Gedurende de hele proeftijd hadden leidinggevenden consequent en concreet aangegeven waar het schortte. Er was voldoende tijd en begeleiding geboden. Van vooringenomenheid was niets gebleken, en de bewuste verklaring van de collega ontzenuwde de conclusies van Defensie niet. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet: Defensie had juist herhaaldelijk benadrukt dat de vrouw nog niet aan de verwachtingen voldeed, zodat er nooit een gerechtvaardigd vertrouwen op een vaste aanstelling had kunnen ontstaan.
Het verzoek om schadevergoeding wees de rechtbank eveneens af. Omdat het ontslag rechtmatig was, kon er geen sprake zijn van schade door een onrechtmatig besluit. Ook de bewering dat de procedure te lang had geduurd, ging niet op. Weliswaar waren er in totaal ruim twee jaar en twee maanden verstreken, maar de vrouw had zelf de bezwaarprocedure vertraagd door pas na zeven en een halve maand en drie herinneringen te reageren op het verweerschrift.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het ontslag blijft staan. Wel moet Defensie het betaalde griffierecht van 187 euro terugbetalen en een proceskostenvergoeding van 1.814 euro betalen, vanwege het geconstateerde gebrek rondom de hoorzitting.
Betrokken advocaten
mr. R.N. Bruin
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2026:985, Rechtbank Noord-Holland, 03-02-2026, 15/373125-24
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2026:1073, Rechtbank Amsterdam, 13-01-2026, 96-278523-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Strafprocesrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:14472, Rechtbank Noord-Holland, 15-12-2025, 11895365
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Arbeidsrecht
ECLI:NL:HR:2025:1484, Hoge Raad, 03-10-2025, 23/03812
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 mei 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; AmbtenarenrechtZaaknummer
SGR 24/7585
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:10453