ECLI:NL:RBDHA:2025:22358, Rechtbank Den Haag, 26-11-2025, C/09/681538 / HA ZA 25-229 — RBDHA:2025:22358
Samenvatting
IPR; art. 431 lid 2 Rv en Gazprombank-jurisprudentie. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Creëert art. 431 lid 2 Rv ook rechtsmacht wanneer de zaak op het moment van dagvaarden geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer? Zo ja: heeft een eiser voldoende belang bij een vordering ex art. 431 lid 2 Rv als er geen concrete reden is om te verwachten dat in Nederland kan worden geëxecuteerd? Incidenten tot zekerheidsstelling en schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:1107, Rechtbank Amsterdam, 05-02-2026, C/13/769512 / HA RK 25-169
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2025:15280, Rechtbank Den Haag, 13-08-2025, 681538 / 25-229
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Internationaal Privaatrecht
ECLI:NL:GHAMS:2025:1631, Gerechtshof Amsterdam, 24-06-2025, 200.333.635/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHARL:2025:2636, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-04-2025, 200.341.655
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
26 november 2025
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
C/09/681538 / HA ZA 25-229
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:22358