Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2025:788Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2025:788, Rechtbank Den Haag, 23-01-2025, NL24.32151 — RBDHA:2025:788

Samenvatting

[beslistermijn, wbv 2023/26, Syrië, besluitmoratorium] De rechtbank is van oordeel dat WBV 2023/26 buiten toepassing moet worden gelaten. Het voorgaande betekent dat de beslistermijn van zes maanden niet met toepassing van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 met negen maanden is verlengd. De situatie bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 doet zich niet voor. De toepassing van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, als uitzondering op de reguliere beslistermijn van zes maanden, moet immers worden beperkt in tijd. Bij een onverwachte toename in het aantal asielaanvragen wordt de lidstaat geacht op korte termijn maatregelen te treffen om asielaanvragen weer binnen zes maanden af te kunnen doen. WBV 2023/26 impliceert echter dat de minister aanvaardt dat hij daar voor asielaanvragen die vanaf 1 januari 2024 tot uiterlijk 1 januari 2025 zijn ingediend, ruim 27 maanden na het vaststellen van WBV 2022/22, nog steeds niet in zal slagen. Dan is geen sprake meer van het op korte termijn maatregelen nemen om asielaanvragen weer binnen zes maanden af te kunnen doen en dit verhoudt zich ook niet met de verplichting van de lidstaten om ervoor te zorgen dat de beslissingsautoriteit over passende middelen beschikt, met inbegrip van voldoende personeel dat bekwaam is, om haar taken overeenkomstig de Procedurerichtlijn uit te voeren. De rechtbank acht ook van belang dat de minister niet heeft gesteld dat zich in de loop van 2023 nog een nieuwe onverwachte toename in het aantal asielaanvragen heeft voorgedaan, zoals wel aan de orde was ten tijde van inwerkingtreding van WBV 2022/22. Dit blijkt ook niet uit de beschikbare informatie. De omstandigheid dat het aantal asielaanvragen na een onverwachte toename gedurende een langere periode hoog blijft, op zichzelf genomen onvoldoende om langdurig gebruik te blijven maken van de verlengingsmogelijkheid van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dat de minister ondanks een toegenomen maar begrensde formatie, niet in staat is om binnen zes maanden op asielaanvragen te beslissen, is daarbij ook niet bepalend. De rechtbank is verder van oordeel dat het voor Syriërs inwerking getreden besluitmoratorium niet meebrengt dat de ingebrekestelling niet geldig is, omdat het besluitmoratorium op het moment van indiening daarvan nog niet gold. Dit laat onverlet dat op de datum van het van kracht worden van het besluitmoratorium nog niet was beslist op de asielaanvraag van eiseres. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van de Vw 2000 is een besluitmoratorium ook van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Dit volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling. De verplichting om op de asielaanvraag te beslissen is alsnog opgeschort voor de in het besluitmoratorium genoemde duur van een jaar.

Betrokken advocaten

mr. F.W. Verweij

eiser

Pieters Advocaten, UTRECHT

mr. D.J. Keiman

eiser

Pieters Advocaten, BUSSUM

mr. S.J. de Vries

eiser

Raad Advocaten, ZWOLLE

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

23 januari 2025

Zaaknummer

NL24.32151

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2025:788

Bekijk op rechtspraak.nl