Rechtbank verwerpt asielverzoek Ethiopische journaliste — RBDHA:2026:1815
asielrecht / vluchtelingenstatus / journalistieke activiteiten Ethiopië
Eiser / verzoeker
Ethiopische vrouw, mede namens haar minderjarige kind
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is ongegrond verklaard; de afwijzing van de asielaanvraag van de Ethiopische vrouw en haar kind blijft in stand.
- De gestelde problemen door journalistieke activiteiten zijn niet geloofwaardig geacht omdat er nauwelijks online bewijs is van haar prominente rol als journaliste.
- Het herhaaldelijk legaal in- en uitreizen in Ethiopië, inclusief gebruik van een diplomatiek paspoort, ondermijnt de gestelde vrees voor vervolging.
- De verklaringen van de echtgenoot zijn tegenstrijdig en komen niet als objectief bewijsmateriaal in aanmerking.
- De aanwijzing van journalisten als risicogroep (Kamerbrief 2023) is niet van toepassing omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres significante kritiek op de autoriteiten heeft geuit.
- Het enkele moeten verschijnen bij het politiebureau — zonder aansluitende detentie — is onvoldoende om negatieve belangstelling van de autoriteiten aan te nemen.
Samenvatting
Een Ethiopische vrouw die naar eigen zeggen als journaliste werkte en bedreigd werd door de Ethiopische autoriteiten, heeft haar strijd om een asielvergunning verloren bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank oordeelde dat de minister van Asiel en Migratie de aanvraag terecht heeft afgewezen.
De vrouw diende in augustus 2021 een asielaanvraag in, mede namens haar minderjarige kind. Ze stelde dat ze als nieuwslezeres voor een Ethiopisch mediabedrijf misstanden aan de kaak had gesteld, daardoor bedreigingen had ontvangen en op een lijst stond om te worden opgepakt. Ook verklaarde ze dat ze bij terugkeer naar Ethiopië in 2020 te maken kreeg met etnisch geweld in haar regio en vervolgens hoorde dat de rechtbank een bevel had uitgevaardigd om haar in verzekering te stellen. Die combinatie van factoren zou haar vlucht naar Nederland hebben gedwongen.
De minister geloofde een deel van haar verhaal: haar identiteit, nationaliteit en politieke overtuiging werden als geloofwaardig beschouwd. Maar de kern van haar asielrelaas — dat ze door haar journalistieke werk in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten was gekomen — achtte de minister niet aannemelijk. De rechtbank gaf de minister daarin gelijk.
Een belangrijk punt was dat de vrouw beweerde meermalen op televisie te zijn verschenen met kritische uitzendingen, maar dat er online nauwelijks sporen van haar te vinden zijn. De enige video waarop ze te zien is, is een onlineclip waarvan niet vaststaat dat die ook daadwerkelijk op televisie is uitgezonden. Voor iemand die zegt een prominente rol te hebben gespeeld als journaliste en criticus van de autoriteiten, vond de rechtbank dat opmerkelijk weinig bewijs. Ook speelde mee dat de vrouw altijd voor een overheidsinstelling had gewerkt, wat kritische verslaggeving over de autoriteiten minder aannemelijk maakt.
Daarnaast woog de rechtbank zwaar mee dat de vrouw meerdere keren zonder problemen Ethiopië in- en uit had kunnen reizen. Ze reisde in augustus 2019 legaal uit, keerde in augustus 2020 terug met een visum en beschikte zelfs over een diplomatiek paspoort. Dat past slecht bij het beeld van iemand die door de autoriteiten actief werd vervolgd.
Ook de verklaringen van haar echtgenoot, die als diplomaat in het buitenland werkte, hielpen haar zaak niet. De minister wierp tegen dat hij geen objectieve bron is, en dat zijn verklaringen tegenstrijdig waren: enerzijds zou hij vanwege de problemen van zijn vrouw niet meer mogen werken en geen salaris meer ontvangen, maar later bleek hij gewoon weer aan de slag te zijn gegaan op de Ethiopische ambassade in het Verenigd Koninkrijk.
Over de oproep van de rechtbank om haar in verzekering te stellen, oordeelde de minister dat eiseres slechts een foto van het document had overlegd — geen origineel — en dat ze bovendien zelf had verklaard dat ze eerder al eens was opgeroepen naar het politiebureau, daar netjes was verschenen en daarna gewoon weer was vertrokken. Van daadwerkelijke detentie was geen sprake geweest.
De vrouw had ook gewezen op een brief van de staatssecretaris uit 2023, waarin journalisten die kritiek uiten op de Ethiopische autoriteiten als risicogroep werden aangemerkt. Maar de rechtbank oordeelde dat die aanwijzing niet op haar van toepassing is, juist omdat niet geloofwaardig is gemaakt dat ze dergelijke significante kritiek heeft geuit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De asielaanvraag van de vrouw en haar kind blijft daarmee afgewezen als kennelijk ongegrond.
Betrokken advocaten
mr. M.J.C. van der Woning
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1820, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL25.52027
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1826, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL24.14060
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1444, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.55098
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1442, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, NL25.33179
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 februari 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL24.40270
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:1815