ECLI:NL:RBDHA:2026:3834, Rechtbank Den Haag, 25-02-2026, C/09/693200 / KG ZA 25-1026 — RBDHA:2026:3834
Samenvatting
Kort geding. De gevorderde opheffing van de tenuitvoerlegging van de gijzeling van eiser wordt afgewezen. De Staat heeft voldoende onderbouwd dat eiser met betrekking tot een groot aantal vermogensbestanddelen onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie en dat eiser de door hem gestelde betalingsonmacht alleen al daarom onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CJIB het betalingsvoorstel van eiser in redelijkheid als niet passend heeft kunnen afwijzen en dat voor het opheffen, dan wel het staken van de gijzeling van eiser geen grond bestaat.
Betrokken advocaten
mr. A.B. Kardes
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:11647, Rechtbank Den Haag, 02-07-2025, 683594
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNHO:2025:5814, Rechtbank Noord-Holland, 03-06-2025, C/15/362826 / KG ZA 25-123
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Aanbestedingsrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:907, Rechtbank Amsterdam, 12-02-2025, 762802
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Burgerlijk Procesrecht
ECLI:NL:RBDHA:2024:22057, Rechtbank Den Haag, 24-12-2024, C/09/670836 / KG ZA 24-737
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 februari 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
C/09/693200 / KG ZA 25-1026
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:3834