Asielaanvraag Eritreeër afgewezen ondanks motiveringsgebrek over leeftijd — RBDHA:2026:6737
asielrecht / geloofwaardigheidsbeoordeling identiteit en minderjarigheid
Eiser / verzoeker
Eritrese asielzoeker (gesteld)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek, maar rechtsgevolgen blijven in stand: de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wordt gehandhaafd.
- Minister baseerde zich op verouderde rechtspraak (2017) over interstatelijk vertrouwensbeginsel bij leeftijdsregistratie Italië, wat een motiveringsgebrek opleverde
- Afdeling RvS oordeelde in oktober 2024 dat interstatelijk vertrouwensbeginsel niet automatisch geldt bij leeftijdsregistraties in andere EU-lidstaten
- Ondanks het motiveringsgebrek blijven de rechtsgevolgen in stand: de minister heeft in verweerschrift en zitting alsnog voldoende gemotiveerd waarom meerderjarige Italiaanse registratie wordt gevolgd
- Identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig: doopakte en identiteitskaarten ouders bevatten tegenstrijdige achternamen en zijn niet te herleiden tot eiser
- Asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit
Samenvatting
Een man die stelt afkomstig te zijn uit Eritrea vroeg in januari 2024 asiel aan in Nederland. Hij verklaarde als minderjarige illegaal te zijn gevlucht uit angst voor de militaire dienstplicht. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de man ongeloofwaardig werden geacht.
De rechtbank stelde vast dat er een probleem zat in de motivering van het besluit. De minister had zich bij de beoordeling van eisers leeftijd gebaseerd op verouderde rechtspraak uit 2017. Destijds gold het interstatelijk vertrouwensbeginsel: als een andere EU-lidstaat een leeftijdsregistratie had vastgelegd, mocht Nederland daarvan uitgaan en lag de bewijslast bij de vreemdeling om dat te weerleggen. In Italië stond de man geregistreerd als meerderjarige — geboren in 2002 — terwijl hij in Nederland opgaf geboren te zijn in 2008.
Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van oktober 2024 blijkt echter dat dit interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer automatisch van toepassing is bij leeftijdsregistraties in andere lidstaten. De minister moet zo'n registratie eerst zorgvuldig onderzoeken en duidelijk motiveren waarom hij er gewicht aan toekent, met inachtneming van alle relevante feiten zoals leeftijdsschouwen, documenten en verklaringen. Omdat de minister dat niet had gedaan, bevatte het besluit een motiveringsgebrek. Het beroep werd daarom gegrond verklaard.
Toch betekende dit niet dat de asielaanvraag alsnog kans van slagen had. De minister had namelijk in het verweerschrift en tijdens de zitting wél voldoende uitgelegd waarom hij vasthoudt aan de Italiaanse leeftijdsregistratie. De man had in Italië onder een andere naam en geboortedatum gestaan geregistreerd, en kon dit verschil niet overtuigend verklaren. Zijn uitleg — dat hij ziek was en dat medereizigers zijn gegevens doorgaven, waarbij zijn naam fonetisch zou zijn opgeschreven — overtuigde de rechtbank niet.
Daarnaast waren de documenten die de man overlegde onvoldoende. De kopie van zijn doopakte vermeldde een andere achternaam bij zijn vader dan hijzelf had opgegeven, en op het document ontbrak een pasfoto. Ook de identiteitskaarten van zijn ouders konden niet worden herleid tot hem, onder meer omdat achternamen niet overeenkwamen. Zelfs op de zitting kon hij hiervoor geen overtuigende verklaring geven. Bovendien had de man onvoldoende kennis van Eritrea kunnen tonen, zodat herkomst uit een buurland niet was uit te sluiten. Ten slotte had de man onvoldoende kunnen verklaren over de militaire dienstplicht in Eritrea.
De rechtbank concludeerde dat de rechtsgevolgen van het besluit volledig in stand konden blijven, ondanks het formele motiveringsgebrek. De afwijzing van de asielaanvraag bleef daarmee overeind. Beroepsgronden over het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar had de man tijdens de zitting ingetrokken, zodat die onderdelen buiten beschouwing bleven.
Betrokken advocaten
mr. A. Bondarev
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1618, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.38528 en NL25.38529
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:139, Rechtbank Den Haag, 07-01-2026, NL24.9265
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25445, Rechtbank Den Haag, 29-12-2025, NL24.31749
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24134, Rechtbank Den Haag, 17-12-2025, NL25.15421
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.49169
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6737