Rechter dwingt minister tot besluit over Syrische asielaanvraag — RBDHA:2026:6836
asielrecht / niet-tijdig beslissen / besluit- en vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs (december 2024 – juni 2025) schortte de beslistermijn op in plaats van deze te verlengen, ook voor aanvragen waarvan de termijn al was verstreken.
- Na afloop van het moratorium op 13 juni 2025 had de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit moeten nemen; dat is niet gebeurd.
- Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden al was overschreden, legt de rechtbank een kortere nieuwe termijn op van acht weken.
- Bij overschrijding van die termijn geldt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
Samenvatting
Een asielzoeker uit Syrië wacht al meer dan een jaar op een beslissing op zijn asielaanvraag, die hij op 25 januari 2024 indiende. De minister van Asiel en Migratie had in principe binnen zes maanden moeten beslissen, maar deed dat niet. In december 2024 stelde de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) in voor Syriërs, waarmee de besluitvorming tijdelijk werd stopgezet vanwege de onzekere situatie in Syrië.
De rechtbank Den Haag buigt zich over de vraag wat dat moratorium juridisch betekende voor de beslistermijn. Het moratorium liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. De minister had het moratorium omschreven als een 'verlenging' van de beslistermijn, maar de rechtbank ziet dat anders. Zij stelt vast dat het moratorium de beslistermijn niet verlengde, maar opschortte — een wezenlijk verschil.
Die interpretatie is gebaseerd op de Europese Procedurerichtlijn, die lidstaten toestaat de procedure in individuele gevallen uit te stellen bij onzekerheid over de situatie in het land van herkomst. De Engelse tekst van die richtlijn spreekt van 'postpone', wat overeenkomt met opschorten. De rechtbank vindt ook steun in het doel van het moratorium: zolang de situatie te complex is om een weloverwogen besluit te nemen, kan de klok stilgezet worden. Zodra het moratorium afloopt, gaat de klok weer lopen.
Dat betekent dat de minister uiterlijk op 14 juni 2025 — de dag na het aflopen van het moratorium — had moeten beslissen. Dat is ook van toepassing op gevallen waarbij de oorspronkelijke beslistermijn al vóór het moratorium was verstreken, zoals bij deze asielzoeker. Toen de minister na die datum geen besluit nam, stelde de eiser hem in gebreke en vroeg om binnen twee weken te beslissen. De minister deed ook dat niet, waarna beroep werd ingesteld.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Nu de maximale beslistermijn van 21 maanden al ruim is overschreden, vindt de rechtbank een kortere nieuwe termijn op zijn plaats. De minister krijgt acht weken om alsnog een beslissing te nemen. Doet hij dat niet, dan moet hij een dwangsom betalen van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro. Ook moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1963, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.60237
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1574, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.48632
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1572, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.48631
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:716, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.36944
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.8357
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6836