Rechter dwingt minister tot besluit op asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:6863
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoekster (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Beslistermijn op asielaanvraag van 10 augustus 2025 was verstreken zonder besluit van de minister
- Beroep wegens niet tijdig beslissen is ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard
- Rechtbank legt nieuwe beslistermijn van zestien weken op conform het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak
- Rechterlijke dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de nieuwe termijn
- Minister veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten
Samenvatting
Een asielzoekster heeft met succes bij de rechtbank Den Haag afgedwongen dat de minister van Asiel en Migratie alsnog een beslissing neemt op haar asielaanvraag. Die aanvraag was ingediend op 10 augustus 2025, maar de wettelijke beslistermijn verstreek zonder dat de minister een besluit nam.
Nadat de beslistermijn was overschreden, sommeerde de vrouw de minister om binnen twee weken alsnog te beslissen. Toen ook dat uitbleef, stapte zij naar de rechter. De rechtbank beoordeelde de zaak zonder zitting en stelde vast dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond was: de minister had schlicht verzuimd tijdig te handelen.
Voor de nieuwe beslistermijn sloot de rechtbank aan bij het zogenoemde '8+8 wekenmodel', een richtlijn die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ontwikkeld voor dit soort gevallen. Dat model houdt in dat de minister in totaal zestien weken de tijd krijgt om een besluit te nemen, te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Om te voorkomen dat de minister opnieuw de termijn laat verlopen, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister de nieuwe termijn overschrijdt, is hij honderd euro verschuldigd aan de asielzoekster, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de vrouw vergoeden, die de rechtbank vaststelde op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1966, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.59453
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1590, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59455 en NL25.59456
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1586, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.59457
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1613, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.31488
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.12077
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6863