Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:6866Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechter dwingt minister tot besluit over Syrische asielzoeker na termijnoverschrijding — RBDHA:2026:6866

Asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag / besluit- en vertrekmoratorium Syrië

Eiser / verzoeker

Asielzoeker (naam geanonimiseerd)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Beroep gegrond verklaard; minister opgedragen uiterlijk 14 juli 2026 een besluit te nemen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.

  • Het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs schorst de beslistermijn op (niet verlengt), conform de Europese Procedurerichtlijn die 'postpone' gebruikt.
  • De opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de reguliere beslistermijn al was verstreken vóór inwerkingtreding van het BVM.
  • Omdat toepassing van het standaard '8+8 wekenmodel' de wettelijke maximumtermijn van 21 maanden zou overschrijden, legt de rechtbank een kortere termijn op: besluit uiterlijk 14 juli 2026.
  • Dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn, met een maximum van €15.000.

Samenvatting

Een asielzoeker diende op 19 augustus 2024 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. De minister was verplicht binnen zes maanden een beslissing te nemen, maar liet dat na. De asielzoeker stapte daarop naar de rechter met een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De zaak draait deels om het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) dat de minister op 11 december 2024 instelde voor asielzoekers uit Syrië. Dat moratorium trad op 14 december 2024 in werking en gold tot en met 13 juni 2025. De minister gebruikte dit als reden om de beslistermijn te verlengen, maar de rechtbank beoordeelde of dat terecht was en hoe de termijnen precies berekend moeten worden.

Een belangrijk juridisch punt in deze zaak is de vraag of het BVM de beslistermijn 'verlengt' of 'opschort'. De wet spreekt van verlengen, maar de rechtbank kiest voor de uitleg dat het gaat om opschorten. De reden: de Europese Procedurerichtlijn, die ten grondslag ligt aan de Nederlandse wet, gebruikt het woord 'postpone' (uitstellen). Bovendien past opschorten beter bij het doel van een BVM: zolang de situatie in het land van herkomst te onduidelijk is om een zorgvuldig besluit te nemen, wordt de klok stilgezet. Zodra het moratorium afloopt, loopt de termijn gewoon verder.

Concreet betekent dit voor de asielzoeker dat zijn reguliere beslistermijn van zes maanden werd opgeschort gedurende de looptijd van het BVM (zes maanden). De gecombineerde termijn eindigde daarmee op 19 augustus 2025. Toen de minister ook na die datum geen besluit nam, stelde de asielzoeker de minister in gebreke en vroeg hij om binnen twee weken alsnog te beslissen. Dat deed de minister niet, waarna beroep werd ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Vervolgens rijst de vraag welke nieuwe termijn de minister krijgt opgelegd. Normaal gesproken hanteert de bestuursrechter het zogeheten '8+8 wekenmodel', waarbij de minister in twee rondes van acht weken de tijd krijgt. In dit geval zou dat echter de wettelijke maximumtermijn van 21 maanden overschrijden. De rechtbank vindt dat niet passend en legt daarom een kortere termijn op: de minister moet uiterlijk op 14 juli 2026 een besluit nemen. Dat is acht weken na het verstrijken van de maximale termijn van 21 maanden.

Om de minister aan te sporen zich aan die deadline te houden, legt de rechtbank een dwangsom op van honderd euro per dag dat de minister te laat is, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.

Betrokken advocaten

mr. T.M. van der Wal

eiser

Van der Wal advocatuur, HEERENVEEN

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Zaaknummer

NL26.7793

Procedure

Vereenvoudigde behandeling

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:6866

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2026:8227
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst schadevergoeding af voor Ghanese man in vreemdelingenbewaring
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Ghanees krijgt geen verblijfsdocument EU/EER: relatie onvoldoende bewezen
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8251
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8226
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht