Juristi.nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:7101Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Verzet Syrische asielzoeker tegen premature ingebrekestelling afgewezen — RBDHA:2026:7101

asielrecht / niet-tijdig beslissen / Dublin-overdracht / besluitmoratorium

Eiser / verzoeker

Syrische asielzoeker (opposant)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Asiel en Migratie

Het verzet is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak waarbij het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, blijft in stand.

  • Beslistermijn begint niet bij indiening asielaanvraag maar pas op het moment dat Nederland verantwoordelijk wordt na het verstrijken van de Dublin-overdrachtstermijn (27 juli 2024)
  • Het besluitmoratorium voor Syrië verlengde de beslistermijn met één jaar, waardoor de minister uiterlijk op 27 januari 2026 moest beslissen
  • Ingebrekestelling op 25 juni 2025 en beroep op 16 juli 2025 waren prematuur omdat de beslistermijn toen nog niet was verstreken
  • Verzet ongegrond; eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand

Samenvatting

Een Syrische asielzoeker diende bezwaar in tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarbij zijn beroep wegens niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk was verklaard. De man stelde dat zijn ingebrekestelling van de minister geldig en tijdig was, maar de rechtbank deelde dat standpunt niet.

De kern van het geschil draait om de vraag wanneer de beslistermijn voor de asielaanvraag begon te lopen. De man had zijn asielaanvraag ingediend op 5 december 2023, maar de minister stuurde vervolgens een claimverzoek naar Oostenrijk om de man terug te nemen. Oostenrijk accepteerde dit verzoek op 26 januari 2024. Omdat de overdracht aan Oostenrijk echter niet binnen de geldende termijn van zes maanden plaatsvond, werd Nederland per 27 juli 2024 alsnog verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag. Pas vanaf die datum begon de beslistermijn te lopen.

De asielzoeker betoogde dat de beslistermijn al op 5 december 2023 — de datum van indiening van zijn aanvraag — was aangevangen. De rechtbank verwierp dit argument. Zolang een ander EU-land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag op grond van de Dublinverordening, is Nederland daar nog niet voor verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid ging pas over op het moment dat de overdrachtstermijn verstreek zonder dat de man daadwerkelijk was overgedragen.

Bovendien speelde een besluitmoratorium voor Syrië een rol. Dat moratorium gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, en had tot gevolg dat de minister gedurende die periode niet besliste op Syrische asielaanvragen. De beslistermijn werd hierdoor verlengd met één jaar, tot maximaal 21 maanden. Voor deze man betekende dat concreet dat de minister uiterlijk op 27 januari 2026 een beslissing moet nemen: zes maanden na 27 juli 2024, verlengd met een jaar vanwege het moratorium.

De man had de minister op 25 juni 2025 in gebreke gesteld en op 16 juli 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing. Op dat moment was de beslistermijn echter nog niet verstreken, waardoor zowel de ingebrekestelling als het beroep prematuur waren ingesteld.

De rechtbank zag in het verzet geen reden om haar eerdere oordeel te herzien en verklaarde het verzet ongegrond. De eerdere uitspraak, waarbij het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, blijft daarmee in stand. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Betrokken advocaten

mr. K. Yousef

opposant

Yousef Advocatenkantoor, 'S-GRAVENHAGE

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

25 maart 2026

Zaaknummer

NL25.32101-V

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBDHA:2026:7101

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBDHA:2026:8227
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechter wijst schadevergoeding af voor Ghanese man in vreemdelingenbewaring
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Ghanees krijgt geen verblijfsdocument EU/EER: relatie onvoldoende bewezen
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8251
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBDHA:2026:8226
Rechtbank Den Haag·8 april 2026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht