Bewaring Bengalese man blijft rechtmatig ondanks trage lp-procedure — RBDHA:2026:7108
vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting
Eiser / verzoeker
Bengalese man (V-nummer bekend bij rechtbank)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen; de bewaring blijft voortduren.
- Zicht op uitzetting naar Bangladesh ontbreekt niet: Bengalese autoriteiten hebben de identiteit van eiser niet betwist
- Minister handelt voldoende voortvarend door maandelijkse rappels en vertrekgesprekken
- Eiser werkt zelf niet aantoonbaar actief mee aan zijn uitzetting, wat hem zwaar wordt aangerekend
- Bewaring is ook na ambtshalve toetsing rechtmatig bevonden; verzoek om schadevergoeding afgewezen
Samenvatting
Een man die stelt de Bengalese nationaliteit te hebben, zit sinds eind oktober 2025 in vreemdelingenbewaring. De minister van Asiel en Migratie legde hem die maatregel op omdat hij uitgezet moet worden naar Bangladesh. De man tekende beroep aan tegen het voortduren van zijn bewaring en vroeg om schadevergoeding.
De man voerde aan dat er al ruimschoots vier maanden waren verstreken zonder noemenswaardige voortgang. Bangladesh had nog geen laissez-passer afgegeven, en de minister deed volgens hem te weinig: alleen schriftelijk rappelleren zou niet genoeg zijn. Daarmee zou er geen reëel zicht meer zijn op daadwerkelijke uitzetting, en zou de minister onvoldoende voortvarend handelen.
De rechtbank volgt dit betoog niet. In de eerste plaats constateert zij dat Bangladesh in zijn algemeenheid geen land is waarvandaan uitzetting onmogelijk is. De minister rappelleert maandelijks bij de Bengalese autoriteiten — voor het laatste op 12 maart 2026 — en de autoriteiten hebben niet laten weten dat zij de identiteit en nationaliteit van de man niet kunnen bevestigen. Dat de procedure tijd kost, is mede afhankelijk van de medewerking van Bangladesh zelf.
Daarnaast speelt mee dat de man zelf niet aantoonbaar actief meewerkt aan zijn uitzetting, terwijl hij daartoe wettelijk verplicht is. Verder voerde de minister op 20 februari 2026 nog een vertrekgesprek met hem. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat de bewaring rechtmatig is gebleven.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Betrokken advocaten
mr. R.P.G. van Bel
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1861, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL26.5242
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1604, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.3007
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:896, Rechtbank Den Haag, 19-01-2026, NL26.1291
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25501, Rechtbank Den Haag, 30-12-2025, NL25.62780
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.13906
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7108