Rechter verhoogt dwangsom na traag beslissen over nareis gezin — RBDHA:2026:7155
asiel en migratie / niet-tijdig beslissen / nareis / dwangsom
Eiser / verzoeker
Eiseres en eisers 1 t/m 4 (gezin, nareis-aanvragers)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond; minister moet binnen twee weken beslissen op de nareis-aanvraag op straffe van een dwangsom van €200 per dag met een maximum van €15.000, en wordt veroordeeld tot betaling van €467 proceskosten.
- Tweede beroep tegen niet-tijdig beslissen is gegrond omdat de minister ook na rechterlijk bevel en vollopen van eerste dwangsom geen besluit nam
- Bij herhaling van niet-tijdig beslissen na rechterlijke termijnstelling is geen nieuwe ingebrekestelling vereist
- Rechtbank verhoogt dwangsom van €100 naar €200 per dag omdat de eerdere dwangsom onvoldoende prikkel bleek
- Beslistermijn teruggebracht naar twee weken omdat eerder al een redelijke nadere termijn was gegund
- Griffierecht vrijgesteld wegens betalingsonmacht; proceskosten van €467 voor rekening van de minister
Samenvatting
Een gezin heeft al jaren gewacht op een beslissing over hun aanvraag om naar Nederland te mogen komen in het kader van nareis. De minister van Asiel en Migratie liet maar steeds verstek gaan, ook nadat de rechtbank al eerder had ingegrepen.
Eisers — een moeder met vier kinderen — dienden hun aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf om zich bij een familielid in Nederland te voegen. Toen de overheid niet op tijd reageerde, stapten ze naar de rechter. In maart 2025 verklaarde de rechtbank Den Haag dat beroep gegrond en droeg de minister op om binnen acht weken een besluit te nemen. Deed de minister dat niet, dan moest hij een dwangsom betalen van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro.
Die dwangsom liep vol. Toch bleef een besluit uit. Op 13 augustus 2025 stelden de eisers opnieuw beroep in bij de rechtbank — ditmaal voor de tweede keer — omdat er nog altijd geen beslissing was genomen op hun aanvraag. De rechtbank stelde vast dat dit beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond was: verweerder had simpelweg niet besloten, terwijl hij dat al lang had moeten doen.
De rechtbank was duidelijk over de ernst van de situatie. De eerder opgelegde dwangsom had kennelijk onvoldoende effect gehad om de minister tot actie aan te zetten. Bovendien was er sindsdien opnieuw ruim tijd verstreken zonder besluit. De rechtbank zag dan ook geen reden om de minister opnieuw een lange beslistermijn te gunnen.
De minister werd veroordeeld tot het nemen van een besluit binnen twee weken na bekendmaking van de uitspraak. Om de druk op te voeren, stelde de rechtbank een nieuwe, hogere dwangsom vast: tweehonderd euro per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van vijftienduizend euro. Ook werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de eisers, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
mr. M. Banwari
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1675, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.53326
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1378, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.34904
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:652, Rechtbank Den Haag, 15-01-2026, NL25.37822
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:404, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.56525
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.52941
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7155