Rechter dwingt minister tot beslissen op te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7173
Niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en heeft geen rechtsgrond; de wettelijke termijn van zes maanden blijft van kracht.
- De uiterste termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn was al overschreden op 9 juli 2025, wat aanleiding geeft tot een extra strakke rechterlijke termijn van twee weken.
- Bij overschrijding van de rechterlijke termijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- De proceskosten worden vastgesteld op €467, gebaseerd op één punt voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 0,5 (licht gewicht).
Samenvatting
Een asielzoeker wachtte al meer dan 21 maanden op een beslissing op zijn asielaanvraag, terwijl de wet voorschrijft dat de minister van Asiel en Migratie binnen zes maanden een besluit moet nemen. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, oordeelde dat het uitblijven van een beslissing onrechtmatig was en greep in.
De minister had de beslistermijn eerder proberen te verlengen via een beleidsbesluit (WBV 2023/3), waarmee de termijn met negen maanden zou worden opgerekt. De rechtbank veegde die verlenging van tafel: de motivering voor die verlenging schoot tekort, waardoor de rechtsgrond eraan ontbrak. De gewone wettelijke termijn van zes maanden bleef daarmee gewoon van kracht — en die was allang verstreken.
Omdat de uiterste termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn stelt inmiddels ook al was overschreden op 9 juli 2025, zag de rechtbank aanleiding om de minister een extra strakke deadline op te leggen. De asielzoeker had een correcte ingebrekestelling ingediend en het beroep was meer dan twee weken daarna ingesteld, waarmee aan alle formele vereisten was voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het 'met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen'. Dat betekent juridisch gezien dat het uitblijven van een besluit als een onrechtmatige daad wordt aangemerkt. De minister moet nu binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaken. Doet hij dat niet, dan verbeurt hij een dwangsom van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast werd de minister veroordeeld in de proceskosten van de asielzoeker: een bedrag van 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:23807, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL25.57358
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:23806, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL25.57359
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:21987, Rechtbank Den Haag, 19-11-2025, NL25.32654
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:21994, Rechtbank Den Haag, 19-11-2025, NL25.33024
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.38294
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7173