Rechter wijst schadevergoeding af voor Unieburger in vreemdelingenbewaring — RBDHA:2026:7224
vreemdelingenbewaring / schadevergoeding / uitwerking verwijderingsbesluit EU-burger
Eiser / verzoeker
EU-burger (eiser)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen; de vreemdelingenbewaring was rechtmatig.
- Enkel fysiek vertrek volstaat niet; een Unieburger moet zijn verblijf daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd voordat een verwijderingsbesluit is uitgewerkt (HvJ 22 juni 2021, F.S. tegen Nederland).
- De man maakte niet aannemelijk dat hij het centrum van zijn leven naar Polen had verplaatst: het reïntegratietraject was niet afgerond, bewijs van inkomen ontbrak en de ziektekostenverzekering duidde juist op geen arbeidsinkomen.
- De zware gronden 3a (niet op voorgeschreven wijze ingereisd) en 3c (verwijderingsbesluit genegeerd) waren feitelijk juist en konden de maatregel van bewaring zelfstandig dragen.
- Omdat de bewaring al was opgeheven, beperkte de toetsing zich tot de vraag naar schadevergoeding op grond van artikel 106 Vw 2000; die werd afgewezen wegens rechtmatigheid van de bewaring.
Samenvatting
Een EU-burger die drie keer vanuit Nederland naar Polen was uitgezet, kreeg in maart 2026 opnieuw een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De man voerde aan dat hij inmiddels zijn leven naar Polen had verplaatst en dat het eerdere verwijderingsbesluit daarmee was uitgewerkt. De rechtbank Den Haag verwierp dat standpunt.
De man was in 2022 een verwijderingsbesluit opgelegd en daarna in januari 2023, februari 2024 en juni 2025 uitgezet naar Polen. Hij stelde dat hij na zijn laatste uitzetting een reïntegratietraject had gevolgd bij stichting Barka, werk had gevonden, een ziektekostenverzekering had afgesloten en zijn schulden had aangepakt. Daarmee zou het centrum van zijn leven naar Polen zijn verplaatst en zou een terugkeer naar Nederland geen voortzetting zijn van zijn vroegere verblijf aldaar.
De rechtbank oordeelde dat de man dit onvoldoende had onderbouwd. Zo bleek uit de overeenkomst met Barka dat het traject een jaar zou duren, maar de man had Polen al na enkele maanden verlaten richting België. Van een betaalde baan in Polen ontbraken salarisspecificaties of bankafschriften. De ziektekostenverzekering gold slechts negentig dagen en vermeldde juist dat hij géén inkomen uit arbeid had. De verklaring over schuldenafbouw was bovendien een eigen verklaring van de man zelf, zonder verdere bewijsstukken.
Ook het verblijf in België overtuigde de rechter niet. De contactpersoon bij wie de man stelde te hebben gewoond, ontkende dat en vertelde dat de man naar Nederland was gegaan om werk te zoeken. Op 9 maart 2026 werd de man slapend op straat aangetroffen en aangehouden wegens openstaande boetes. Dat hij beweerde slechts tijdelijk in Nederland te zijn om spullen op te halen en een bankrekening te sluiten, achtte de rechtbank niet geloofwaardig, nu hij daarvoor meerdere dagen nodig had gehad.
De bewaring was al opgeheven vóór de zitting, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of er schadevergoeding moest worden toegekend. Omdat de rechtbank de inbewaringstelling op alle punten rechtmatig achtte — zowel de gronden dat de man Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen als het negeren van het verwijderingsbesluit konden de maatregel zelfstandig dragen — werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Betrokken advocaten
mr. J. Kaikai
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1619, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.3004
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1620, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.3003
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1604, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.3007
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1630, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.2414
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.13849
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7224