Rechter dwingt minister tot beslissen over gezinshereniging asielzoekers — RBDHA:2026:7242
Niet tijdig beslissen / gezinshereniging asielzoekers (mvv-aanvraag)
Eiser / verzoeker
Twee asielzoekers (eisers 1 en 2)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht (of uiterlijk twintig) weken beslissen op de aanvraag, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding tot een maximum van €15.000, en betaalt €467 aan proceskosten.
- De minister had uiterlijk 22 april 2025 moeten beslissen op de mvv-aanvraag gezinshereniging, maar deed dat niet; het beroep wegens niet tijdig beslissen is gegrond.
- Het fifo-principe van de minister (verwachte behandeling november 2027) geeft geen aanleiding om af te wijken van de door de Afdeling bestuursrechtspraak vastgestelde redelijke beslistermijnen.
- Omdat de minister de aanvraag ontvangen heeft maar nog niet heeft bekeken, wordt een termijn van acht weken opgelegd (twintig weken bij nader onderzoek), met dwangsom van €100/dag tot max. €15.000.
- Het verzoek om vaststelling van de bestuurlijke dwangsom wordt afgewezen: nieuwe wetgeving (art. 71b Vw) sluit bestuurlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken uit voor ingebrekestellingen na inwerkingtreding.
- Proceskosten van €467 worden opgelegd met wegingsfactor 'licht' omdat de zaak alleen ziet op niet tijdig beslissen.
Samenvatting
Twee asielzoekers wachten al veel langer dan wettelijk toegestaan op een beslissing over hun aanvraag voor gezinshereniging. Ze willen bij hun referent in Nederland verblijven en dienden daarvoor op 22 oktober 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister van Asiel en Migratie had uiterlijk 22 april 2025 een besluit moeten nemen, maar liet niets van zich horen.
Na een formele ingebrekestelling op 2 mei 2025 en het uitblijven van een reactie stapten de eisers in september 2025 naar de rechter. Ze klaagden over het uitblijven van een beslissing — een zogeheten beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank behandelde de zaak zonder zitting.
De minister erkende de achterstand, maar wees op het 'first-in, first-out'-principe dat sinds januari 2024 wordt gehanteerd om de verwerking van nareisaanvragen eerlijker en voorspelbaarder te maken. Volgens dat systeem zou de aanvraag van de eisers pas in november 2027 aan de beurt komen. De minister vroeg de rechtbank daarom om een ruime beslistermijn van minimaal twintig weken op te leggen en een eventuele dwangsom te beperken tot maximaal 7.500 euro.
De rechtbank ging hier niet in mee. Ze stelde vast dat aanvragen voor gezinshereniging bij houders van een asielvergunning een 'bijzonder geval' vormen, wat een langere termijn dan de standaard twee weken rechtvaardigt. Maar de rechtbank sloot aan bij vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die in 2024 en opnieuw in mei 2025 oordeelde dat het fifo-principe geen reden is om de gebruikelijke beslistermijnen los te laten.
De minister heeft de aanvraag volgens het dossier weliswaar ontvangen, maar er verder nog niet naar gekeken. In dat geval geldt een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak. Als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dat schriftelijk aan de eisers meedeelt, krijgt hij maximaal twintig weken. De rechtbank verbond aan overschrijding van deze termijn een dwangsom van 100 euro per dag, met een maximum van 15.000 euro — ruimer dan de minister had gevraagd.
Het verzoek van de eisers om de al verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen, werd afgewezen. Omdat de ingebrekestelling is ingediend na de inwerkingtreding van nieuwe wetgeving die bestuurlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken afschaft, is de minister daarover niets verschuldigd.
Het beroep werd gegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot betaling van 467 euro aan proceskosten. De rechtbank past daarbij een lichte wegingsfactor toe, omdat de zaak uitsluitend ging over het uitblijven van een besluit en geen inhoudelijke beoordeling vergde.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL 25 42361
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7242