Rechter dwingt minister tot snel beslissen over asielaanvraag — RBDHA:2026:7253
Niet tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor rechtsgrond; de geldende termijn blijft zes maanden.
- De maximale termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat bijzondere omstandigheden oplevert die een uiterst korte hersteltermijn van twee weken rechtvaardigen.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de gestelde termijn.
- Proceskosten worden vergoed op basis van een wegingsfactor 0,5 (licht gewicht), resulterend in €467.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist over zijn asielaanvraag. De wettelijke termijn van zes maanden was ruimschoots verstreken, zonder dat er een geldige reden bestond voor het uitblijven van een beslissing.
De minister had geprobeerd de beslistermijn te verlengen met negen maanden via een zogeheten wijziging van de Vreemdelingencirculaire (WBV 2023/3). De rechtbank gaat daar echter niet in mee. Volgens de rechter is die verlenging onvoldoende onderbouwd, waardoor de rechtsgrond eraan ontbreekt. De geldende beslistermijn blijft daarmee zes maanden, en die is in dit geval al lang overschreden.
Daar komt bij dat de maximale termijn van 21 maanden die de Europese Procedurerichtlijn toestaat, eveneens is verstreken. Dat zijn volgens de rechtbank bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de minister nu uiterst snel over de brug moet komen: hij heeft slechts twee weken na verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.
Om te voorkomen dat de minister ook die nieuwe deadline laat verstrijken, legt de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat er na die twee weken nog steeds geen besluit is, verbeurt de minister honderd euro, met een maximum van vijftienduizend euro. Ook moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het met een besluit gelijkgestelde stilzwijgen van de minister, en draagt hem op uiterlijk binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit bekend te maken — op straffe van een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €15.000.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL 25 37227
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7253