Rechter dwingt minister tot beslissen over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:7255
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken een besluit nemen op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De door de minister ingevoerde verlenging van de beslistermijn met negen maanden (WBV 2023/3) is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor rechtsgrond; de wettelijke beslistermijn van zes maanden blijft van kracht.
- De uiterste termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat bijzondere omstandigheden oplevert die een onmiddellijk besluit rechtvaardigen.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag (max. €15.000) als de minister niet binnen twee weken na verzending beslist.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467, met toepassing van wegingsfactor 0,5 omdat het een zaak van licht gewicht betreft.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, oordeelde dat de minister in gebreke is gebleven en legt nu een harde deadline op.
Volgens de wet moet de overheid binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beslissing nemen. De minister had geprobeerd die termijn met negen maanden te verlengen via een beleidsmaatregel (WBV 2023/3), maar de rechtbank veegt die verlenging van tafel. De motivering voor de verlenging schiet tekort, waardoor de rechtsgrond eronder wegvalt en de oorspronkelijke termijn van zes maanden gewoon blijft gelden.
Bij de berekening van hoe lang de minister al te laat is, speelt ook de zogenoemde 'uiterste termijn' van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn een rol. Die termijn is inmiddels eveneens verstreken. Dat maakt de situatie extra urgent: de rechtbank ziet hierin bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de minister niet de gebruikelijke twee weken krijgt om alsnog te besluiten, maar dat de zaak zo snel mogelijk moet worden afgehandeld — en uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak.
Om te zorgen dat de minister zich aan die termijn houdt, legt de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat er na het verstrijken van de deadline nog geen besluit is genomen, moet de minister honderd euro betalen aan de asielzoeker, tot een maximum van vijftienduizend euro.
De rechtbank veroordeelt de minister ook in de proceskosten. Omdat de zaak als 'licht' wordt aangemerkt — het draait alleen om de vraag of de beslistermijn is overschreden — wordt een halveerde vergoeding toegekend van 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL 25 38954
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7255