Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:7302
niet-tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken alsnog beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Beslistermijn op asielaanvraag van 6 oktober 2024 was verstreken zonder besluit van de minister
- Rechtbank paste het '8+8 wekenmodel' toe, maar verkortte de termijn naar acht weken omdat nadere gehoren al hadden plaatsgevonden
- Dwangsom van €100 per dag opgelegd met maximum van €15.000 bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn
- Minister veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag, die dateert van 6 oktober 2024. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, stelde vast dat de wettelijke beslistermijn al lang was verstreken zonder dat de minister actie had ondernomen.
De asielzoeker had de minister na het verstrijken van de termijn nog een laatste kans gegeven: alsnog binnen twee weken beslissen. Toen ook dat niets opleverde, stapte hij naar de rechter. De rechtbank behandelde de zaak zonder zitting en verklaarde het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn hield de rechtbank rekening met het zogeheten '8+8 wekenmodel', een maatstaf die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ontwikkeld voor dit soort zaken. Normaal gesproken zou dat leiden tot een totale termijn van zestien weken. Omdat in deze zaak echter al op 15 april 2025 en 12 mei 2025 nadere gehoren hebben plaatsgevonden — een belangrijk deel van de asielprocedure — is de resterende benodigde tijd korter. De rechtbank verkortte de termijn daardoor naar acht weken.
Om te voorkomen dat de minister ook deze nieuwe deadline naast zich neerlegt, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister de acht weken overschrijdt, moet hij honderd euro betalen aan de asielzoeker, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1896, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.54497
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:777, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.35547
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2026:43, Raad van State, 07-01-2026, BRS.25.001750
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:78, Rechtbank Den Haag, 06-01-2026, NL25.55264, NL25.55268
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.11603
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7302