Rechter dwingt minister tot snel beslissen op te lang uitgestelde asielaanvraag — RBDHA:2026:7345
Niet-tijdig beslissen op asielaanvraag / dwangsom bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond; minister moet binnen twee weken een asielbesluit nemen op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en betaalt €467 aan proceskosten.
- De door de minister gehanteerde verlenging van de beslistermijn met negen maanden (WBV 2023/3) is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor rechtsgrond; de wettelijke termijn van zes maanden geldt.
- De uiterste termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat de rechtbank aanleiding geeft een verkorte hersteltermijn van twee weken op te leggen.
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 als de minister niet tijdig beslist.
- Proceskosten worden vastgesteld op €467 (1 punt voor beroepschrift met wegingsfactor 0,5 wegens licht gewicht van de zaak).
Samenvatting
Een asielzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag met succes geklaagd dat de minister van Asiel en Migratie te lang heeft gewacht met een beslissing op zijn asielaanvraag. De zaak werd behandeld op de zittingsplaats Middelburg.
Volgens de wet moet er in principe binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een besluit worden genomen. De minister had via een beleidsregel (WBV 2023/3) geprobeerd die termijn met negen maanden te verlengen, maar de rechtbank acht die verlenging onvoldoende gemotiveerd. Daardoor ontbreekt de juridische grondslag voor die verlenging en geldt gewoon de wettelijke termijn van zes maanden — die ruimschoots is overschreden.
De rechtbank stelt verder vast dat de uiterste termijn van 21 maanden, die volgt uit de Europese Procedurerichtlijn, inmiddels ook is verstreken. Dat maakt de situatie bijzonder ernstig. In dergelijke gevallen legt de rechtbank een kortere hersteltermijn op dan de gebruikelijke twee weken: de minister moet nu zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen twee weken na verzending van de uitspraak, alsnog een besluit nemen.
Om de minister aan te sporen zich aan die termijn te houden, legt de rechter een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister na het verstrijken van de twee weken nog geen besluit heeft genomen, verbeurt hij een bedrag van honderd euro per dag, tot een maximum van vijftienduizend euro.
Het beroep is gegrond verklaard, het uitblijven van een besluit is vernietigd, en de minister is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de asielzoeker ter hoogte van 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2059, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL24.46835
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2058, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL24.46847
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2050, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.47558
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1755, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.35663
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.37634
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7345