Rechter dwingt minister tot beslissen over gezinshereniging asielzoeker — RBDHA:2026:7382
niet tijdig beslissen / gezinshereniging asielzoeker / machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser / verzoeker
asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht (of twintig) weken beslissen op de gezinsherenigingsaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- Minister overschreed de wettelijke beslistermijn van 90 dagen (verlengd tot 2 maart 2025) zonder besluit te nemen, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is.
- Het fifo-principe geeft geen aanleiding tot afwijking van de vaste beslistermijnen uit de jurisprudentie, zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak in mei 2025 bevestigde.
- De rechtbank legt een beslistermijn op van acht weken (of twintig weken bij nader onderzoek) en stelt de dwangsom vast op €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Het argument van de minister dat de dwangsom verlaagd moet worden omdat hij verwacht de uitspraak toch niet te kunnen naleven, wordt door de rechtbank uitdrukkelijk verworpen.
- Het verzoek om vaststelling van een al verbeurde bestuurlijke dwangsom wordt afgewezen vanwege de inmiddels gewijzigde wettelijke regeling voor vreemdelingenzaken.
Samenvatting
Een asielzoeker wacht al ruim een jaar op een beslissing over de komst van zijn vrouw en kinderen naar Nederland. Hij diende in september 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn gezin in het kader van gezinshereniging, maar de minister van Asiel en Migratie nam niet op tijd een besluit. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) buigt zich over de vraag of de minister verplicht kan worden om alsnog te beslissen en onder welke voorwaarden.
De minister had uiterlijk op 2 maart 2025 een beslissing moeten nemen. Dat is niet gebeurd. Nadat de asielzoeker de minister in april 2025 formeel in gebreke had gesteld, stelde hij in september 2025 beroep in bij de rechtbank. Dat beroep is ontvankelijk en de rechtbank verklaart het gegrond: er is sprake van het niet tijdig nemen van een besluit, wat juridisch gelijkstaat aan een besluit waartegen beroep mogelijk is.
De minister beriep zich op het zogeheten 'first-in first-out'-principe (fifo), dat sinds januari 2024 wordt gehanteerd om nareisaanvragen eerlijker en voorspelbaarder te verwerken. Volgens dat systeem zou de aanvraag van de eiser pas in oktober 2027 aan de beurt komen. De minister verzocht de rechtbank daarom een langere beslistermijn op te leggen — twintig weken — en een lagere dwangsom van maximaal 7.500 euro te bepalen, om de financiële prikkel niet volledig weg te nemen.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die in mei 2025 nog bevestigde dat het fifo-principe geen reden is om af te wijken van de eerder vastgestelde beslistermijnen voor gezinshereniging bij asielvergunninghouders. Die situatie wordt wel erkend als een 'bijzonder geval', wat betekent dat de standaardtermijn van twee weken niet geldt, maar de langere termijnen uit de vaste jurisprudentie wel.
Omdat de minister de aanvraag weliswaar heeft ontvangen maar verder nog niet inhoudelijk heeft bekeken, legt de rechtbank een termijn van acht weken op. Besluit de minister binnen die periode dat nader onderzoek nodig is en deelt hij dat schriftelijk mee aan de eiser, dan krijgt hij twintig weken na de uitspraak om een definitief besluit bekend te maken.
Over de dwangsom is de rechtbank ook helder. De minister vroeg om een maximum van 7.500 euro, omdat hij er zelf al van uitging de uitspraak niet tijdig te kunnen naleven. De rechtbank vindt dat argument ronduit onacceptabel: een dwangsom dient nu juist om het bestuursorgaan tot handelen aan te zetten, niet om te anticiperen op niet-naleving. Daarom wordt de dwangsom vastgesteld op 100 euro per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van 15.000 euro.
Het verzoek van de eiser om de al verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen, wijst de rechtbank af. Door een wetswijziging die inmiddels in werking is getreden, is de minister voor aanvragen ingediend ná die wijziging geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd. Die regeling is hier van toepassing.
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van 467 euro aan proceskosten. Het beroep wordt als 'licht' aangemerkt, omdat het uitsluitend gaat over het niet tijdig beslissen en er geen inhoudelijke beoordeling van de aanvraag plaatsvond.
Betrokken advocaten
mr. S. Leijtens
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2136, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.54288
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1879, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.64051
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1295, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.58221
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:950, Rechtbank Den Haag, 16-01-2026, NL25.47569
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.41879
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7382