ECLI:NL:RBGEL:2025:10021, Rechtbank Gelderland, 25-11-2025, ARN 25/196 — RBGEL:2025:10021
Samenvatting
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft geweigerd om de reeds betaalde geldschuld aan de Belastingdienst te compenseren. De rechtbank komt niet toe aan de vraag of de voorwaarden van artikel 3.13, eerste lid, van de Wht in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel en om die reden buiten toepassen moet worden gelaten. Voor zover eisers betoog moet worden aangemerkt als een beroep op de hardheidsclausule, is niet gebleken dat zijn huidige situatie zo bijzonder of zo schrijnend is, dat zich een ernstige onbillijkheid dreigt voor te doen als het bestreden besluit in stand wordt gelaten.
Betrokken advocaten
mr. M. Bouhoud
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1834, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL26.4367
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1829, Rechtbank Den Haag, 03-02-2026, NL26.3446
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1603, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL26.3378
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBGEL:2026:594, Rechtbank Gelderland, 27-01-2026, 25/6358 en 25/6359
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 november 2025
Instantie
Rechtbank GelderlandRechtsgebied
Bestuursrecht; BestuursprocesrechtZaaknummer
ARN 25/196
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:10021