Juristi.nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:2336Bestuursrecht; Belastingrecht

Rechter verlaagt vpb-aanslag en boete na jarenlang geen aangifte — RBGEL:2026:2336

vennootschapsbelasting / ambtshalve aanslag / verzuimboete / redelijke schatting

Eiser / verzoeker

BV in liquidatie (belanghebbende)

VS

Verweerder / gedaagde

Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht

De aanslag vennootschapsbelasting 2020 wordt verlaagd naar een belastbaar bedrag van € 8.795 en de verzuimboete wordt wegens termijnoverschrijding verminderd tot € 4.686.

  • Bezwaar was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; rechtbank beoordeelt zaak inhoudelijk op verzoek van beide partijen
  • Schatting van belastbare winst op € 17.500 was niet redelijk omdat concrete aanknopingspunten (bankafschriften, leenverhouding) buiten beschouwing waren gelaten
  • Rechtbank stelt belastbare winst schattenderwijs vast op € 8.795 op basis van 5% rente over vordering van BV op aandeelhouder
  • Verzuimboete terecht opgelegd (achtste verzuim), maar ambtshalve verminderd met 15% wegens overschrijding redelijke termijn met anderhalf jaar
  • Financiële problemen van de DGA in privé kunnen niet zonder meer worden doorgetrokken naar de vennootschap voor een beroep op avas

Samenvatting

Een besloten vennootschap in liquidatie uit een niet nader genoemde plaats heeft jarenlang geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan. Vanaf de oprichting in 2012 tot en met belastingjaar 2019 werd er nooit tijdig aangifte ingediend, en ook over 2020 bleef de aangifte uit — ondanks uitnodiging, herinnering én aanmaning door de Belastingdienst. De fiscus stelde de aanslag voor 2020 ambtshalve vast op een belastbaar bedrag van € 17.500 en legde tegelijkertijd een verzuimboete op van € 5.514.

De vennootschap had één bestuurder en aandeelhouder, die in 2012 een ontslagvergoeding van ruim € 123.000 in de BV had ingebracht in ruil voor een recht op stamrechtuitkeringen. De BV had daardoor een vordering op hem, die door de jaren heen was opgelopen. Bezwaar tegen de aanslag werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard, waarna beroep bij de rechtbank volgde.

De rechtbank stelde allereerst vast dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard — dit maakte het beroep al gegrond. Omdat beide partijen geen terugwijzing wensten en vroegen om een inhoudelijk oordeel, besloot de rechtbank zelf de zaak te beoordelen.

Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de schatting van de inspecteur niet berustte op een redelijke grondslag. De fiscus had de winst geraamd op basis van gemiddelde sectorgegevens en eerdere ambtshalve aanslagen, maar hield geen rekening met concrete aanknopingspunten zoals de bankafschriften en de leenverhouding tussen de BV en haar bestuurder. Dat vond de rechtbank onvoldoende.

Zelf stelde de rechtbank de belastbare winst vast op basis van de vordering van de BV op de bestuurder. Die vordering bedroeg eind 2013 al ruim € 131.000 en was — bij een zakelijke rente van 5% en zonder enige aflossing — tegen eind 2019 opgelopen tot ruim € 176.000. De rente over 2020 werd daarmee berekend op € 8.820. Na aftrek van bankkosten van € 25 per jaar stelde de rechtbank de belastbare winst vast op € 8.795 — aanzienlijk lager dan de € 17.500 waarvan de fiscus was uitgegaan.

De verzuimboete bleef in beginsel overeind: de vennootschap had immers voor de achtste keer verzuimd aangifte te doen, en een beroep op afwezigheid van alle schuld slaagde niet. De financiële problemen van de bestuurder in privé konden niet zonder meer worden doorgetrokken naar de vennootschap zelf. Wel constateerde de rechtbank ambtshalve — dus zonder dat de vennootschap erom had gevraagd — dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden. Tussen het opleggen van de boete in november 2022 en de uitspraak in maart 2026 waren meer dan twee jaar verstreken. De overschrijding bedroeg afgerond anderhalf jaar, wat leidde tot een korting van 15% op de boete.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, verlaagde de aanslag naar een belastbaar bedrag van € 8.795, paste de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig aan, en verlaagde de verzuimboete van € 5.514 naar € 4.686.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

25 maart 2026

Zaaknummer

AWB 24_6845

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBGEL:2026:2336

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter beslist over btw-teruggaaf zorginstelling voor nieuw gebouwencomplex
Rechtbank Gelderland·25 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Beroep vpb-aanslag te laat ingediend: rechtbank verklaart het niet-ontvankelijk
Rechtbank Gelderland·25 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBGEL:2026:2243
Rechtbank Gelderland·20 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBGEL:2026:2263
Rechtbank Gelderland·20 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBGEL:2026:2215
Rechtbank Gelderland·20 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht