Rechtbank oordeelt over renteaftrekbeperking Nederlandse vennootschap met buitenlandse aandeelhouders — RBHAA:2010:BR6588
vennootschapsbelasting / renteaftrekbeperking thin capitalisation (artikel 10d Wet Vpb)
Eiser / verzoeker
[X] B.V.
Verweerder / gedaagde
Inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond
De rechtbank verklaart het beroep deels gegrond (ontvankelijkheidskwesties aanslag en navorderingsaanslag) en deels ongegrond (inhoudelijke aftrekbeperking artikel 10d vastgesteld conform navorderingsaanslag).
- Het bezwaar tegen een nihil-aanslag is niet-ontvankelijk omdat de uitkomst niet gunstiger kan worden; de belastingdienst had dit bezwaar anders moeten afdoen.
- Een bezwaar tegen een belastingaanslag geldt tevens als bezwaar tegen de op hetzelfde aanslagbiljet vermelde verliesvaststellingsbeschikking, tenzij de belastingplichtige die bevoegdheid ondubbelzinnig heeft prijsgegeven.
- Beroep tegen een navorderingsaanslag waartegen nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan, is niet-ontvankelijk.
- Bij de berekening van artikel 10d Wet Vpb geldt het saldo van verschuldigde en uitstaande geldleningen zowel als 'teveel aan vreemd vermogen' als als 'gemiddeld vreemd vermogen' bij de evenredige aftrekbeperking.
- De aftrekbeperking wordt gemaximeerd door het nettosaldo van rente op gelieerde schulden minus rente op gelieerde vorderingen (artikel 10d lid 3 Wet Vpb).
Samenvatting
Een besloten vennootschap gevestigd in Nederland, met aandeelhouders op Curaçao, strijdt bij de Rechtbank Haarlem tegen de Belastingdienst over de toepassing van een wettelijke renteaftrekbeperking bij de vennootschapsbelasting over het jaar 2004. De regeling in kwestie — artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 — beperkt de aftrekbaarheid van rente als een bedrijf te veel vreemd vermogen heeft ten opzichte van het eigen vermogen. Dat is een maatregel die belastingontwijking via kunstmatige schuldconstructies binnen concerns moet tegengaan.
De vennootschap had geld ingeleend bij gelieerde buitenlandse lichamen en tegelijkertijd geld uitgeleend aan diezelfde of verwante lichamen. Per saldo stond er dus een nettoschuld. De fiscus en de vennootschap verschilden van mening over de exacte berekening van het niet-aftrekbare rentebedrag: met name hoe het 'gemiddeld vreemd vermogen' en de maximum-aftrekbeperking moeten worden berekend, en of bij die berekening het saldo van de schulden en vorderingen of alleen de bruto schulden als maatstaf geldt.
De rechtbank beoordeelt eerst of het bezwaar en beroep ontvankelijk zijn. Het bezwaar tegen de primitieve aanslag — die op nihil uitkwam — had nooit moeten worden ontvangen, omdat een belastingaanslag van nihil niet gunstiger kan worden. De belastingdienst had dit bezwaar dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren. Op dit punt is het beroep gegrond. Het bezwaar tegen de beschikking vaststelling verlies is wél ontvankelijk: de rechtbank oordeelt, in lijn met een arrest van de Hoge Raad uit 2009, dat een bezwaar tegen een aanslag tegelijk geldt als bezwaar tegen een op hetzelfde aanslagbiljet vermelde verliesvaststellingsbeschikking. Voor de navorderingsaanslag geldt echter dat de vennootschap daartegen nog geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen, zodat de rechtbank haar op dat punt niet-ontvankelijk verklaart in beroep.
Inhoudelijk draait de zaak om de precieze rekenwijze van artikel 10d. De wet bepaalt dat bij de berekening van het 'teveel aan vreemd vermogen' het saldo van schulden en vorderingen telt, en datzelfde saldo ook als 'gemiddeld vreemd vermogen' moet gelden bij de evenredige berekening van de niet-aftrekbare rente. Tevens geldt een maximum: de niet-aftrekbare rente kan niet hoger zijn dan het saldo van de rente op schulden aan gelieerde partijen minus de rente op vorderingen op diezelfde partijen. De rechtbank analyseert zowel de wettekst als de parlementaire geschiedenis uitvoerig en concludeert dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het gebruik van het nettosaldo bij beide berekeningen, ook al leidt dit in sommige situaties tot een uitkomst die de rente beperkt die feitelijk betrekking heeft op het bovenmatige deel van de schuld.
De rechtbank berekent stap voor stap wat de correcte aftrekbeperking is op basis van de vaststaande cijfers: een gemiddelde netto schuld van ruim 520.000 euro, een negatief eigen vermogen, en een rentesaldo van bijna 167.000 euro op de gelieerde leningen. Uiteindelijk stelt de rechtbank de aftrekbeperking vast op een bedrag dat hoger uitvalt dan door de vennootschap bepleit, maar lager dan de belastingdienst aanvankelijk had vastgesteld in de primitieve aanslag — en uiteindelijk gelijk aan het bedrag dat de belastingdienst in de navorderingsaanslag had gehanteerd.
Betrokken advocaten
mr. A
eiser
mr. B
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:OGEAA:2018:7, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 08-01-2018, Aua201702187
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · Bestuursrecht
ECLI:NL:OGEAC:2017:40, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 05-04-2017, BBZ nr. CUR201600160
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:GHDHA:2015:3255, Gerechtshof Den Haag, 18-11-2015, 14_1581 14_01582
Gerechtshof Den Haag · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:GHDHA:2014:1682, Gerechtshof Den Haag, 02-05-2014, BK-13/01262
Gerechtshof Den Haag · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
21 december 2010
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
AWB 09/ 3596
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBHAA:2010:BR6588