ECLI:NL:RBLIM:2018:6846, Rechtbank Limburg, 23-07-2018, AWB - 17 _ 3497 — RBLIM:2018:6846
Samenvatting
De rechtbank gaat uit van de bewoordingen van de cao en de daarbij behorende preambule. Het gebruik maken van de mogelijkheid die de wet biedt is aan de cao-partijen. In casu hebben bij de cao betrokken partijen vastgesteld dat de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering en haar dochterondernemingen afwijking van het bepaalde in artikel 7:668a BW noodzakelijk maakt. Anders dan verweerder, die kennelijk van mening is dat inhoudelijk getoetst zou moeten worden of dit ook echt wel zo is, is de rechtbank van oordeel dat het een gegeven is waarmee verweerder rekening dient te houden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres op de datum in geding geen overeenkomst had voor onbepaalde tijd en derhalve geen recht op loon van haar (voormalige) werkgever. Vernietiging van het bestreden besluit.
Betrokken advocaten
mr. M.A.T. Sick
eiser
R. Boonstra
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2025:9146, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-12-2025, BRE 25/5827
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:1451, Centrale Raad van Beroep, 11-09-2025, 23/1011 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:4292, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-07-2025, BRE 25/733 ZW
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:812, Centrale Raad van Beroep, 22-05-2025, 19/1760 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
23 juli 2018
Instantie
Rechtbank LimburgRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
AWB - 17 _ 3497
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2018:6846