ECLI:NL:RBLIM:2022:2256, Rechtbank Limburg, 25-01-2022, ROE 19/3449 en 19/3453 — RBLIM:2022:2256
Samenvatting
Awb, Waterwet, Wabo; lozingsvergunning en omgevingsvergunning voor afwijken bpl en milieu, mestbe- en verwerkingsinstallatie, belanghebbenden, Chw/beroepsgronden, m.e.r.-(beoordelings)plicht, gezondheid, emissies, stikstofdepositie/relativiteit, beleidsregel provincie, BBT, stof, geur, VNG-brochure, milieucategorie, lozing/relativiteit/BBT Omgevingsvergunning (eerste fase) voor de oprichting van een mestverwerkingsinrichting en watervergunning voor het brengen van stoffen in de Maas en het gebruikmaken van de Maas. De beroepen zijn ontvankelijk, omdat de vergunningen en de bekendmaking daarvan (deels) niet in overeenstemming zijn met artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en niet aannemelijk is dat eisers anderszins wisten of konden weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Er bestaat geen plicht om de milieueffectrapportage (mer) te doorlopen en verweerders uitgevoerde mer-beoordeling had niet moeten leiden tot het doorlopen van de mer. De stelling van eisers dat een mer nodig was omdat het plan zal leiden tot stikstofdepositie op reeds overbelaste Natura-2000 gebieden stuit op het relativiteitsvereiste. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de Best beschikbare technieken (BBT) en dat er geen andere of extra voorschriften aan de vergunningen verbonden hadden hoeven worden. Gedeputeerde staten hebben terecht de inrichting aangemerkt als (maximaal) milieucategorie 4.2 en daarvoor dus een binnenplanse afwijking kunnen verlenen. De toepasselijke regels uit de Waterwet strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van de individuele eisers, zodat het relativiteitsvereiste zich ertegen verzet dat de watervergunning door het beroep van deze eisers wordt vernietigd. Dat geldt echter niet voor het beroep van de Stichting Dorpsraad Buggenum. De minister voert terecht aan dat nu wordt voldaan aan de BBT, vergaande reductie van emissies naar de Maas is gewaarborgd en met de verplichte monitoring in de vorm van onderzoek wordt getoetst of wordt voldaan aan de gestelde emissies.
Betrokken advocaten
mr. J.J.A.G. Werkhoven
eiser
mr. S. de Bruin
eiser
mr. J. Rutteman
eiser
mr. B. Krot
eiser
J.W. de Vos
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2024:4600, Rechtbank Limburg, 19-07-2024, ROE 24/572
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2024:1704, Raad van State, 24-04-2024, 202204536/1/R1
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBOBR:2023:5049, Rechtbank Oost-Brabant, 20-10-2023, 22/2465 T en 22/2471 T
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBLIM:2023:6067, Rechtbank Limburg, 13-10-2023, ROE 21/1228
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 januari 2022
Instantie
Rechtbank LimburgRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
ROE 19/3449 en 19/3453
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2022:2256