Limburgse beveiliger krijgt geen toestemming ondanks afgeronde opleiding — RBLIM:2026:2929
Weigering toestemming beveiligingswerkzaamheden / betrouwbaarheidstoets particuliere beveiliging
Eiser / verzoeker
Eiser (naam geanonimiseerd), woonachtig in Limburg
Verweerder / gedaagde
Korpschef van de politie
Het beroep in zaak ROE 25/1470 is gegrond en de beslissing op bezwaar wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand: de man krijgt geen toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten.
- Beroep in zaak ROE 23/3687 niet-ontvankelijk omdat eiser zijn opleiding heeft afgerond en geen actueel belang meer heeft bij toestemming als beveiliger in opleiding
- Beslissing op bezwaar in zaak ROE 25/1470 vernietigd wegens onvoldoende motivering: de korpschef had onvoldoende kenbaar rekening gehouden met eisers persoonlijke ontwikkeling, stage en VOG
- Rechtsgevolgen blijven in stand omdat de korpschef tijdens de beroepsprocedure alsnog afdoende heeft gemotiveerd waarom de betrouwbaarheid niet is aangetoond
- Meerdere strafbare feiten — verduistering in dienstbetrekking en twee verkeersboetes — vallen binnen de terugkijktermijnen van vier en acht jaar uit de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties
- De wet laat geen ruimte voor een algemene belangenafweging bij de weigeringsgrond onbetrouwbaarheid; afwijking van terugkijktermijnen is alleen mogelijk bij bijzondere, door wetgever niet voorziene omstandigheden
Samenvatting
Een man uit Limburg die beveiliger wilde worden, heeft bij de rechtbank geprobeerd de weigering van de korpschef van politie aan te vechten. Die weigering hield in dat hij geen toestemming kreeg om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, omdat hij niet betrouwbaar genoeg werd geacht. De rechtbank deed op 27 maart 2026 uitspraak in twee samenhangende zaken.
De man had in het verleden een veroordeling opgelopen voor het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, waarvoor hij in 2019 een voorwaardelijke gevangenisstraf oplegde kreeg. Daarnaast ontving hij in 2023 twee verkeersboetes via strafbeschikkingen voor overtredingen van de Wegenverkeerswet. Al deze feiten vallen binnen de wettelijke terugkijktermijnen die gelden voor medewerkers in de beveiligingsbranche: vier jaar voor misdrijven met een boete of taakstraf, en acht jaar voor misdrijven waarbij een gevangenisstraf werd opgelegd.
De man voerde aan dat de weigering niet evenredig was. Hij benadrukte dat hij zijn opleiding tot beveiliger succesvol had afgerond, stage had gelopen bij een beveiligingsbedrijf, een Verklaring Omtrent het Gedrag had gekregen om bij een tankstation te werken, was gestopt met blowen en inmiddels vader en kostwinner was geworden. Ook stelde hij dat de verduistering onder druk had plaatsgevonden en dat de alcoholovertreding slechts minimaal boven de limiet was geweest.
De rechtbank verklaarde de eerste zaak — over de toestemming om als beveiliger in opleiding te werken — niet-ontvankelijk. Omdat de man zijn opleiding al had afgerond, had hij geen actueel belang meer bij die procedure.
In de tweede zaak, over de toestemming om na zijn opleiding als volledig beveiliger te werken, oordeelde de rechtbank dat de korpschef zijn besluit aanvankelijk onvoldoende had gemotiveerd. De korpschef had bij de beslissing op bezwaar onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke ontwikkeling van de man, zijn succesvolle stage en zijn afgegeven VOG. Dat leverde een gebrek op in de motivering, zodat het beroep op dit punt gegrond werd verklaard en de beslissing op bezwaar werd vernietigd.
Toch betekent dit niet dat de man alsnog toestemming krijgt. De korpschef had namelijk tijdens de rechtbankprocedure alsnog uitgebreid gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden niet leiden tot een kortere terugkijktermijn of een positief oordeel over de betrouwbaarheid. Er gaat om meerdere feiten die als een ernstige aantasting van de rechtsorde worden beschouwd. Het enkele feit dat er geen nieuwe strafbare feiten zijn gepleegd, is onvoldoende om een geringe recidivekans aan te nemen — zeker nu de man in korte tijd twee keer een verkeersboete kreeg. Zijn gestelde persoonlijke ontwikkeling was bovendien niet nader onderbouwd, en de VOG was niet afgegeven voor beveiligingswerk.
De rechtbank liet daarom de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing in stand: de korpschef mocht de toestemming weigeren, maar had dit eerder beter moeten uitleggen. Nu die uitleg alsnog was gegeven, hoeft er geen nieuwe beslissing te worden genomen. De man krijgt geen toestemming om als beveiliger te werken. De korpschef werd wel veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van de man in de tweede zaak.
Betrokken advocaten
mr. I. Haagmans
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2026:112, Centrale Raad van Beroep, 15-01-2026, 25/606 AOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:11136, Rechtbank Limburg, 11-11-2025, 03.371062.24
Rechtbank Limburg · Strafrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:9999, Rechtbank Limburg, 13-10-2025, 03.327445.24
Rechtbank Limburg · Strafrecht
ECLI:NL:CRVB:2025:1230, Centrale Raad van Beroep, 14-08-2025, 22/551 ZW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank LimburgRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
ROE 23/3687 en ROE 25/1470
Procedure
Conservatoire maatregel
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:2929