ECLI:NL:RBMNE:2021:5707, Rechtbank Midden-Nederland, 24-11-2021, UTR 21/3635 — RBMNE:2021:5707
Samenvatting
Trefwoorden: Wegenwet, artikel 4 van de Wegenwet, APV, belanghebbenden, begunstigingstermijn, functie voor de afwikkeling van verkeer, openbaarheid van een weg, rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, uitlatingen van het bestuursorgaan. Verzoeker is eigenaar van een landgoed in Driebergen. Hij is daarmee ook eigenaar van een gedeelte van het pad dat langs zijn landgoed loopt. Verzoeker heeft in mei 2021 zijn deel van het pad afgesloten. Op verzoek van omwonenden heeft verweerder een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd om de afsluiting ongedaan te maken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en heeft om een voorlopige voorziening verzocht. Er hebben zich verschillende derde-belanghebbenden gemeld. De voorzieningenrechter heeft geen van deze belanghebbenden toegelaten tot de procedure, omdat zij geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De wijkvereniging is geen belanghebbende, omdat uit de statuten niet blijkt dat het opkomen tegen de afsluiting van dit pad binnen haar statutaire doelstelling valt. Het buurtinitiatief is niet belanghebbend, omdat geen sprake is van rechtspersoonlijkheid en het buurtinitiatief ook geen informele vereniging is. Tot slot zijn de twee indieners van het verzoek om handhaving ook geen belanghebbenden, omdat zij op een te grote afstand van het pad wonen en zij zich niet voldoende onderscheiden van andere gebruikers van het pad. De voorzieningenrechter vindt dat er voldoende spoedeisend belang is bij het verzoek. De centrale vraag is vervolgens of het pad een weg is in de zin van de Wegenwet en of het pad op grond van artikel 4 van de Wegenwet door verjaring openbaar is geworden. Als dat zo is dan mag verzoeker het pad niet afsluiten. Verweerder draagt de bewijslast om aan te tonen dat het om een openbare weg gaat. Verweerder heeft erop gewezen dat er twee tijdvakken van 30 jaar zijn aan te wijzen, waarin het pad door verjaring openbaar is geworden. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat het pad in die beide periodes wel een weg was in de zin van de Wegenwet. Hij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het pad in die tijdvakken een functie vervulde voor de afwikkeling van het openbare verkeer en voor een onbepaalde publieksgroep toegankelijk was. Verweerder heeft ook niet voldoende onderbouwd dat het pad openbaar is geworden door verjaring. Verzoeker heeft erop gewezen dat het pad onderdeel uitmaakt van een padenstelsel en dat aan beide uiteinden van dat stelsel bordjes staan met “verboden toegang voor onbevoegden”. Verweerder heeft alleen gekeken naar een mogelijk bordje ter hoogte van de afsluiting op het pad van verzoeker en niet naar die twee andere bordjes. Ook op dit punt moet verweerder het besluit beter motiveren. Tot slot heeft verweerder verzoekers beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel onvoldoende weerlegd. In 2012 en 2013 hebben een wethouder en een ambtenaar verklaard dat het pad geen openbare weg was. Het bezwaar heeft een redelijke kans van slagen en de belangenafweging valt in het voordeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter schorst het dwangsombesluit en het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn tot 10 dagen na het besluit op bezwaar.
Betrokken advocaten
mr. T.S. van Walchren
verweerder
C. Sprenger
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:336, Raad van State, 21-01-2026, 202305102/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:12673, Rechtbank Limburg, 18-12-2025, ROE 22/2743
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBOBR:2025:7365, Rechtbank Oost-Brabant, 12-11-2025, 24/3039
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RVS:2025:1183, Raad van State, 19-03-2025, 202200684/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
24 november 2021
Instantie
Rechtbank Midden-NederlandRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
UTR 21/3635
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:5707