Rechtbank verplicht gemeente langdurigere standplaatsvergunningen te verlenen — RBMNE:2022:2449
standplaatsvergunning / schaarse vergunningen / ambulante handel
Eiser / verzoeker
Eiseres (houdster viskraam op markten in Maarn, Leersum en Amerongen)
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug
De rechtbank verklaarde de overgangsregeling van zes jaar onverbindend en droeg de gemeente op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarbij de vergunningen voor een langere duur dan zes jaar worden verleend.
- Overgangsregeling van zes jaar in het standplaatsenbeleid is onverbindend omdat de gemeente niet heeft onderbouwd hoe de terugverdientijd is vastgesteld
- Onderzoeken van CVAH en SEO tonen aan dat de terugverdientijd in de ambulante voedselhandel zeven tot twaalf jaar bedraagt, ruim meer dan de gehanteerde zes jaar
- De gemeente erkende zelf ter zitting dat zes jaar te kort is, maar wilde eerst nader onderzoek doen – wat de rechtbank onacceptabel vond
Samenvatting
Een visverkoopster uit de gemeente Utrechtse Heuvelrug sleept al jaren haar viskraam naar de markten in Maarn, Leersum en Amerongen. Tot 2018 beschikte zij over standplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd. Daarna voerde de gemeente een nieuw beleid in: voortaan worden alleen nog tijdelijke vergunningen verleend, telkens voor drie jaar. Voor bestaande vergunninghouders gold een overgangsregeling van twee keer drie jaar – in totaal zes jaar – waarna zij via een puntensysteem moesten concurreren met andere aanvragers.
De visverkoopster had bezwaar gemaakt tegen haar tweede tijdelijke vergunning, die in 2021 werd verleend. Zij vond de maximale duur van zes jaar te kort. De gemeente wees het bezwaar af, mede omdat bij de totstandkoming van het beleid een brancheorganisatie betrokken was geweest. Toch erkende de gemeente bij de rechtszitting opmerkelijk genoeg zelf dat zes jaar waarschijnlijk te kort is, gelet op recente uitspraken en onderzoeken. Het college wilde echter eerst nader onderzoek doen voordat het de vergunningsduur zou aanpassen. Dat vond de rechter onacceptabel.
De kern van de zaak draait om de vraag hoe lang een standplaatsvergunning moet duren. Omdat het gaat om zogenoemde schaarse vergunningen – er zijn niet genoeg standplaatsen voor iedereen – mogen die niet voor onbepaalde tijd worden verleend. Maar de duur moet wel lang genoeg zijn zodat vergunninghouders hun noodzakelijke investeringen kunnen terugverdienen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in januari 2021 bepaald dat gemeenten bij het vaststellen van de vergunningsduur de gemiddelde terugverdientijd in de betreffende branche als uitgangspunt moeten nemen.
Uit onderzoek van de brancheorganisatie CVAH bleek dat bedrijven in de ambulante voedselhandel gemiddeld zeven à acht jaar nodig hebben om hun investeringen terug te verdienen. Een nog recentere studie van onderzoeksbureau SEO, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, concludeerde zelfs dat de terugverdientijd in deze sector minimaal negen en maximaal twaalf jaar bedraagt. De gemeente had dit bij het opstellen van haar beleid niet betrokken en kon ook niet aantonen hoe zij tot de keuze voor zes jaar was gekomen.
De rechtbank in Utrecht oordeelde dat de gemeente in gebreke was gebleven. Het beleid vermeldde nergens hoe de terugverdientijd was berekend, en de gemeente kon dat ook ter zitting niet uitleggen. Bovendien erkende de gemeente zelf dat de gehanteerde termijn niet meer klopte. De rechtbank verklaarde de overgangsregeling onverbindend en vernietigde het besluit van december 2021 waarmee het bezwaar van de visverkoopster was afgewezen.
De gemeente krijgt nu zes weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij de vergunningen voor een langere periode dan zes jaar moeten worden verleend. De rechtbank geeft daarbij de hint dat het voor de hand ligt om aan te sluiten bij de uitkomsten van het SEO-onderzoek. Zelf een concrete nieuwe termijn opleggen deed de rechtbank niet: dat is aan het college. Wel moet de gemeente de proceskosten van de visverkoopster vergoeden, in totaal ruim 1.500 euro, plus het betaalde griffierecht.
Betrokken advocaten
mr. K. Van der Veen
het college
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2026:960, Rechtbank Noord-Holland, 02-02-2026, HAA 25/6087 en HAA 26/291
Rechtbank Noord-Holland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:10108, Rechtbank Gelderland, 26-11-2025, ARN 24/8292
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24568, Rechtbank Den Haag, 12-11-2025, 24/3056
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24569, Rechtbank Den Haag, 12-11-2025, 24/3063
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 mei 2022
Instantie
Rechtbank Midden-NederlandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
22/517
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:2449