Juristi.nl
ECLI:NL:RBMNE:2023:2777Strafrecht

Man vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende bewijs onbekwaamheid — RBMNE:2023:2777

zedenzaak / verkrachting / vrijspraak wegens onvoldoende bewijs wilsonbekwaamheid slachtoffer

Eiser / verzoeker

Officier van justitie (Openbaar Ministerie) en benadeelde partij aangeefster

VS

Verweerder / gedaagde

Verdachte (geboren 1995)

De verdachte werd vrijgesproken van verkrachting omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat het slachtoffer ten tijde van de seksuele handelingen niet in staat was haar seksuele integriteit te beschermen.

  • Niet bewezen dat het slachtoffer door alcohol en drugsgebruik niet in staat was haar seksuele integriteit zelf te beschermen
  • Wisselende verklaringen van het slachtoffer over het aantal daders, MDMA-gebruik en eigen instemming ondermijnden de bewijswaarde
  • Het gebruik van de mobiele telefoon kort na de handelingen was een contra-indicatie voor volledige wilsonbekwaamheid
  • Toxicologisch onderzoek bevestigde drugsgebruik maar niet de mate van onbekwaamheid vereist voor bewezenverklaring
  • Benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard wegens vrijspraak

Samenvatting

Een man uit Lelystad stond terecht voor verkrachting die zou hebben plaatsgevonden in de nacht van 9 op 10 februari 2018. Volgens de aanklacht hadden hij en medeverdachten seksuele handelingen verricht met een vrouw die door alcohol en drugsgebruik niet in staat zou zijn geweest haar eigen seksuele integriteit te beschermen. De officier van justitie achtte de zaak bewezen en eiste twee jaar gevangenisstraf. De rechtbank Midden-Nederland sprak de verdachte echter vrij.

De kern van de zaak draaide om de vraag of het slachtoffer — aangeduid als aangeefster — ten tijde van de seksuele handelingen werkelijk niet in staat was haar wil te bepalen of weerstand te bieden, én of de verdachte dat wist of had moeten weten. De rechtbank stelde vast dat verdachte en zijn medeverdachten wél seksuele handelingen hadden verricht met de aangeefster, en dat zij daarbij onder invloed was van alcohol en drugs. Maar daarmee was de zaak juridisch nog niet rond.

De rechtbank botste op twee cruciale bewijsproblemen. Ten eerste vonden de wisselende verklaringen van de aangeefster zelf onvoldoende steun in het overige bewijsmateriaal. Zij had tegenstrijdig verklaard over het aantal betrokken personen, over het innemen van MDMA, en over welke seksuele handelingen ze zelf had gewild. Dat maakte haar verklaringen minder betrouwbaar als enige pijler voor een veroordeling.

Ten tweede wees de rechtbank op een opvallend detail: kort na de seksuele handelingen maakte de aangeefster adequaat en helder gebruik van haar mobiele telefoon. Dat gegeven suggereert dat zij op dat moment toch in staat was haar omgeving bewust waar te nemen en te reageren — wat haaks staat op de stelling dat zij door drank en drugs volledig buiten staat was haar seksuele grenzen te bewaken.

Getuigenverklaringen van een vriendin en de vader van de aangeefster bevestigden weliswaar dat zij onder invloed was, maar niet dat zij haar seksuele integriteit niet meer zelf kon beschermen. De vriendin verklaarde zelfs de indruk te hebben gehad dat de aangeefster plezier had en niets tegen haar zin deed. Het toxicologisch onderzoek toonde aan dat de aangeefster MDMA en cannabis had gebruikt, maar kon niet aantonen dat zij daardoor op het moment van de handelingen in een zodanige toestand verkeerde dat zij geen wil meer kon vormen of uiten.

Omdat niet bewezen kon worden dat het slachtoffer daadwerkelijk niet in staat was zichzelf te beschermen, hoefde de rechtbank ook niet meer te beoordelen of de verdachte dit had geweten — je kunt immers niet weten wat er niet is. Toch voegde de rechtbank daar expliciet aan toe dat ook op dat punt het bewijs tekortschoot.

Het slachtoffer had zich als benadeelde partij in de procedure gevoegd met een schadevergoedingsvordering van bijna dertienduizend euro, grotendeels voor immateriële schade. Nu de verdachte werd vrijgesproken, verklaarde de rechtbank haar niet-ontvankelijk in die vordering. De proceskosten aan de zijde van de verdachte werden op nihil begroot.

Betrokken advocaten

mr. A.A. Bloemberg

verweerder

Skarp Law, AMSTERDAM

mr. N. Durdabak

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

14 juni 2023

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

16.175072.22 (P)

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBMNE:2023:2777

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBMNE:2026:1425
Rechtbank Midden-Nederland·9 april 2026
Strafrecht
RBMNE:2026:1423
Rechtbank Midden-Nederland·9 april 2026
Strafrecht
RBMNE:2026:1432
Rechtbank Midden-Nederland·9 april 2026
Strafrecht
RBMNE:2026:1407
Rechtbank Midden-Nederland·8 april 2026
Strafrecht
RBMNE:2026:1409
Rechtbank Midden-Nederland·8 april 2026
Strafrecht