ECLI:NL:RBMNE:2024:1802, Rechtbank Midden-Nederland, 25-03-2024, 16/336964-22 (P) — RBMNE:2024:1802
Samenvatting
Verdachte reed met de geparkeerde bestelauto achteruit, met openstaand portier, terwijl het slachtoffer tussen de auto en het openstaande portier stond. Verdachte heeft gekeerd en is vervolgens vooruit gereden. Vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag: de rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans (dat het een reële mogelijkheid is) dat een persoon op zodanige wijze tegen of onder de auto terechtkomt dat daardoor dodelijke verwondingen ontstaan. Verdachte is na het achteruit rijden vervolgens vooruit gereden waarbij de kans ontstond dat hij het slachtoffer zou kunnen raken, meesleuren of overrijden. De rechtbank neemt op basis van de bewijsmiddelen aan dat het slachtoffer zich op dat moment vlak voor of onder de auto bevond, waarna verdachte het slachtoffer heeft meegesleurd en heeft overreden. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat verdachte zich bewust was of moest zijn van waar het slachtoffer zich op dat moment bevond. In die situatie is dus, bij het vooruit wegrijden, weliswaar sprake van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk verwond zou raken, maar geen sprake van een bewuste aanvaarding daarvan door verdachte. Bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling: verdachte is met enige snelheid achteruit gereden met een openstaand bestuurdersportier, terwijl het slachtoffer in dat openstaande portier stond. Hij moet geweten hebben dat het portier hem zou raken bij het achteruit rijden. Door zo te handelen heeft hij bewust aanvaard dat hij het slachtoffer omver zou rijden, waarbij de kans aanmerkelijk is dat het slachtoffer (al dan niet ongelukkig) op de harde stenen en/of tegen/onder de auto zo ten val zou komen dat deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen, omdat de feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden. Ook het beroep op putatief noodweer wordt verworpen. Straf: een gevangenisstraf van acht (8) maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Betrokken advocaten
mr. M. Ariese
verdachte
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:430, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-01-2026, 21-001573-24
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht
ECLI:NL:RBMNE:2026:109, Rechtbank Midden-Nederland, 20-01-2026, 16.012157.25 (P)
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBMNE:2026:10, Rechtbank Midden-Nederland, 07-01-2026, 16/019628-20
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBMNE:2026:14, Rechtbank Midden-Nederland, 07-01-2026, 16/019628-20 (ontneming)
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2024
Instantie
Rechtbank Midden-NederlandRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
16/336964-22 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:1802