Juristi.nl
ECLI:NL:RBMNE:2024:3890Civiel Recht

Rechter veroordeelt ex-huurders tot betaling van jarenlange huurachterstand — RBMNE:2024:3890

huurrecht / betaling huurachterstand / gezag van gewijsde

Eiser / verzoeker

Verhuurder (privépersoon)

VS

Verweerder / gedaagde

Voormalige huurders (twee personen)

Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 19.585,37 aan huurachterstand, wettelijke rente vanaf 31 januari 2021 en € 2.044,49 aan proceskosten.

  • Het vonnis van 2021 stelde de huurachterstand vast op € 19.929,97; het ontbreken van een betalingsveroordeling in dat vonnis doet niet af aan de betalingsverplichting zelf.
  • Eerder verworpen verweren over de identiteit van de verhuurder en de partijstelling zijn door gezag van gewijsde niet opnieuw te beoordelen.
  • Beroep op verjaring faalt: de verjaringstermijn voor tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken is twintig jaar, en voor declaratoire uitspraken geldt in beginsel geen verjaring.
  • Beroep op rechtsverwerking faalt bij gebrek aan bijzondere omstandigheden die gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat de verhuurder zijn recht niet meer zou uitoefenen.
  • Rente over reeds berekende rente (rente-op-rente) is niet toewijsbaar voor zover de rente niet over een geheel jaar verschuldigd is.

Samenvatting

Een verhuurder uit Nederland sleepte zijn voormalige huurders voor de rechter om alsnog betaling af te dwingen van een huurachterstand die was opgelopen tijdens een winkelhuurnuuroeverenkomst die liep van 1996 tot 2011. De huurders hadden jarenlang onvoldoende huur betaald, maar de verhuurder had in een eerdere rechtszaak verzuimd om ook daadwerkelijke betaling van de hoofdsom te vorderen.

In een eerder vonnis uit november 2021 had de kantonrechter al vastgesteld dat de huurachterstand op dat moment € 19.929,97 bedroeg, exclusief rente. De huurders waren destijds wél veroordeeld tot betaling van de rente en proceskosten, die zij ook hadden voldaan. Maar omdat de verhuurder in die procedure had nagelaten betaling van de hoofdsom zelf te eisen, konden de deurwaarder en de verhuurder dat bedrag niet direct afdwingen via een executie. De huurders maakten hier gebruik van en weigerden de achterstand te betalen, met de redenering dat zij daartoe nooit veroordeeld waren.

In de nieuwe procedure vorderde de verhuurder alsnog betaling van de resterende hoofdsom. De huurders voerden een reeks verweren: zij betwistten dat er überhaupt een huurovereenkomst had bestaan, stelden dat de overeenkomst niet met de verhuurder persoonlijk was gesloten maar met zijn vennootschap, en voerden aan dat één van de twee huurders helemaal geen partij was bij het huurcontract. De kantonrechter verwierp al deze argumenten, omdat ze al in de eerdere procedure uitvoerig waren behandeld en verworpen. Op grond van het gezag van gewijsde zijn partijen gebonden aan die eerdere beslissingen.

De huurders beriepen zich ook op verjaring en rechtsverwerking, omdat de verhuurder twee jaar had gewacht na het vonnis van 2021 voordat hij opnieuw naar de rechter stapte. De kantonrechter oordeelde echter dat van verjaring geen sprake kon zijn: de verjaringstermijn voor het ten uitvoerleggen van rechterlijke uitspraken bedraagt twintig jaar, en hier ging het zelfs om een declaratoir vonnis waarop in beginsel altijd een beroep kan worden gedaan. Ook het beroep op rechtsverwerking strandde, omdat de huurders geen bijzondere omstandigheden konden aanvoeren die het gerechtvaardigde vertrouwen hadden gewekt dat de verhuurder zijn recht niet meer zou uitoefenen. Integendeel: de verhuurder had al in 2021 geprobeerd betaling te krijgen op basis van het vonnis.

Dat één van de huurders hartproblemen heeft en het koppel financieel in de knel zit, leidde evenmin tot afstel. De rechter erkende de moeilijke situatie, maar stelde vast dat persoonlijke en financiële omstandigheden niet afdoen aan de juridische betalingsverplichting.

De kantonrechter veroordeelde de twee huurders hoofdelijk tot betaling van € 19.585,37 aan achterstallige huur — de oorspronkelijke hoofdsom verminderd met een tussentijdse deelbetaling van € 344,60. Daarbovenop moeten zij wettelijke rente betalen over € 19.929,97 vanaf 31 januari 2021, en worden zij veroordeeld in de proceskosten van € 2.044,49.

Betrokken advocaten

onbekend (gemachtigde eiser)

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

26 juni 2024

Rechtsgebied

Civiel Recht

Zaaknummer

10832046

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBMNE:2024:3890

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Huisarts krijgt geen gelijk in ruzie om werkruimtes gedeelde praktijk
Rechtbank Midden-Nederland·1 april 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1197
Rechtbank Midden-Nederland·24 maart 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1293
Rechtbank Midden-Nederland·20 maart 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1281
Rechtbank Midden-Nederland·19 maart 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1254
Rechtbank Midden-Nederland·19 maart 2026
Civiel Recht