Huisarts krijgt geen gelijk in ruzie om werkruimtes gedeelde praktijk — RBMNE:2026:1298
verdeling gebruiksruimtes na ontbinding huisartsenmaatschap / kort geding
Eiser / verzoeker
[eiser sub 1] B.V. en [eiser sub 2]
Verweerder / gedaagde
[gedaagde sub 1] B.V. en [gedaagde sub 2]
Alle vorderingen van eiser zijn afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang; eiser moet €2.101 aan proceskosten betalen.
- Het huurrecht op het pand behoort tot het onverdeelde vermogen van de ontbonden maatschap; de kortgedingrechter is niet bevoegd hierover te beslissen nu een bodemprocedure loopt
- Eiser kan als individu geen rechten ontlenen aan de huurovereenkomst, die op naam van de maatschap staat
- Praktische ongemakken zoals meer heen-en-weer lopen en beperkte toekomstige uitbreidingsmogelijkheden leveren geen spoedeisend belang op
- Het beroep op gevaar voor patiëntenzorg faalt bij gebrek aan enig concreet incident of dreigend geval
Samenvatting
Twee huisartsen die jarenlang samenwerkten in een kostenmaatschap, exploiteren sinds 1 april 2025 ieder een eigen praktijk in hetzelfde pand. Ze zijn via een gezamenlijke BV elk voor de helft eigenaar van het gebouw. De samenwerking is voorbij, maar de financiële afwikkeling loopt nog via een aparte rechtszaak. Over één ding zijn de voormalige partners het volstrekt oneens: wie welke ruimtes mag gebruiken.
De ene huisarts vond dat hij te weinig en te slechte werkruimtes had gekregen. Hij stapte naar de rechter en eiste dat zijn voormalige zakenpartner zou meewerken aan een andere, meer gelijkwaardige verdeling van de kamers. Zijn bezwaren: hij moest meer heen en weer lopen, zijn voorraadkasten stonden in de kamer van de coassistent, en het zou in de toekomst moeilijk worden om nieuw personeel een werkplek te bieden. Bovendien stelde hij dat de patiëntenzorg in gevaar dreigde te komen door de huidige indeling.
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland gaat daar niet in mee. Allereerst wijst de rechter erop dat het huurrecht op het pand nog onderdeel is van het onverdeelde vermogen van de maatschap. Die verdeling wordt al uitgevochten in een lopende bodemprocedure. Het is dan ook niet aan de kortgedingrechter om alvast te bepalen hoe de ruimtes tijdelijk verdeeld moeten worden.
Daarnaast ontbreekt volgens de rechter het vereiste spoedeisende belang. In de huidige situatie heeft elke huisarts zijn eigen spreekkamer, een deel van de receptie en werkruimtes voor zijn personeel. Het personeel is na het einde van de maatschap gewoon op dezelfde plek blijven zitten. Dat de huidige indeling praktisch niet ideaal is, maakt nog geen dringende noodzaak voor een wijziging.
Het argument over de patiëntenzorg legt al helemaal geen gewicht in de schaal. De rechter stelt vast dat er zich geen enkele concrete situatie heeft voorgedaan waarbij een patiënt in gevaar is gekomen. De eisende huisarts erkende dit zelf, maar schreef dat toe aan zijn eigen inzet. Dat is onvoldoende, oordeelt de rechter: wie beweert dat de patiëntenzorg in gevaar dreigt, moet minstens één concreet voorbeeld geven van een situatie die door ingrijpen ternauwernood goed afliep. Dat voorbeeld bleef uit.
De vorderingen worden volledig afgewezen, en de eisende huisarts wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van zijn voormalige partner: in totaal €2.101,-, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2025:4789, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-07-2025, 200.333.687/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2025:7610, Rechtbank Den Haag, 06-05-2025, C/09/682974 / KG ZA 25-249
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:GHSHE:2024:4061, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2024, 200.336.765_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBAMS:2024:2973, Rechtbank Amsterdam, 30-05-2024, C/13/736410 / HA RK 23-230
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Midden-NederlandRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
C/16/607120 / KL ZA 26-46
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1298