Juristi.nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:1302Strafrecht

Surinaamse man veroordeeld voor machete-aanval en stalking ex-partner — RBMNE:2026:1302

poging tot doodslag / bedreiging / belaging / wapenbezit

Eiser / verzoeker

Officier van justitie (Openbaar Ministerie)

VS

Verweerder / gedaagde

Verdachte, geboren in Suriname, wonend in Zeist

Verdachte vrijgesproken van poging tot moord, maar veroordeeld voor poging tot doodslag, bedreiging, belaging en het dragen van een machete; strafmaat niet volledig gepubliceerd.

  • Vrijspraak poging tot moord: onvoldoende bewijs voor voorbedachten rade ondanks doelgericht toelopen op slachtoffer met machete
  • Bewezenverklaring poging tot doodslag op basis van voorwaardelijk opzet: met kracht zwaaiende macheteslag op vitale lichaamsdelen aanvaardt aanmerkelijke kans op dodelijk letsel
  • Formeel verweer verworpen: ontbreken van wetsartikel doodslag in herziene tenlastelegging beperkt beoordelingsruimte rechter niet
  • Bedreiging bewezen: expliciete dreigberichten over moord, mishandeling en verkrachting zijn naar hun aard geschikt om redelijke vrees te wekken
  • Belaging en wapenbezit (machete) eveneens bewezen verklaard

Samenvatting

Een man uit Zeist met Surinaamse achtergrond stond terecht voor een reeks ernstige feiten: een aanval met een machete op een man, bedreiging en belaging van een vrouw, en het illegaal dragen van een wapen. De rechtbank Midden-Nederland deed op 2 april 2026 uitspraak in deze zaak.

Op 5 juli 2025 liep de verdachte doelbewust op een man af die op een bankje in Zeist zat. Hij trok een machete van zo'n 70 centimeter uit zijn trainingspak en haalde met kracht zijwaarts uit richting het hoofd, de hals en het bovenlichaam van het slachtoffer. Alleen doordat het slachtoffer op tijd achteruitdeinsde, miste de machete hem op een haar na. De officier van justitie eiste veroordeling wegens poging tot moord — dus met voorbedachten rade.

De rechtbank ging daar niet in mee. Hoewel de verdachte doelgericht naar het slachtoffer was toegelopen en de machete bewust bij zich had, vond de rechtbank onvoldoende bewijs dat hij vooraf het plan had om iemand te doden. Zijn eigen verklaringen — dat hij 'een punt wilde maken' of 'een duidelijke streep wilde trekken' — wezen daar niet op. Dat hij bij de politie eenmalig zei het slachtoffer te willen 'afmaken', achtte de rechtbank niet doorslaggevend. Wel stond vast dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer dodelijk gewond zou raken. Het met kracht inzetten van een scherpe machete op hoofd, hals en bovenlichaam — vitale lichaamsdelen — levert immers een reële kans op dodelijk letsel op. Daarmee was poging tot doodslag bewezen.

Naast de machete-aanval had de verdachte in de periode van mei tot juli 2025 ook een vrouw herhaaldelijk bedreigd. In berichten dreigde hij haar expliciet te vermoorden, ernstig te mishandelen en te verkrachten. Op zitting erkende hij deze berichten te hebben gestuurd. De verdediging voerde aan dat het reacties waren op berichten van de vrouw zelf, maar deze stelling werd niet onderbouwd en de rechtbank verwierp het verweer. De berichten waren naar hun aard geschikt om bij de vrouw gegronde vrees te wekken.

Daarnaast had de verdachte de vrouw in diezelfde periode gestalkt door haar voortdurend te bellen, spraakberichten te sturen en voicemails in te spreken. Ook dit werd bewezen geacht. Het dragen van de machete op straat leverde een overtreding van de Wet wapens en munitie op; daarover was geen discussie.

De verdediging probeerde ook via een formeel argument onder de beoordeling van doodslag uit te komen: omdat in de herziene tenlastelegging het wetsartikel voor doodslag niet meer stond vermeld, zou de rechter dat feit niet mogen beoordelen. De rechtbank verwierp dit. Volgens vaste rechtspraak is de feitelijke omschrijving van het verweten gedrag bepalend, niet de vermelding van wetsartikelen. Uit de tenlastelegging bleek duidelijk genoeg waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

De rechtbank veroordeelde de man voor poging tot doodslag, bedreiging, belaging en het dragen van een wapen. Aan de benadeelde partij — het vrouwelijke slachtoffer, bijgestaan door het Leger des Heils — werd een schadevergoeding toegewezen. De exacte strafmaat en het precieze bedrag van de schadevergoeding zijn niet volledig in het gepubliceerde deel van het vonnis opgenomen, maar de verdachte bevond zich ten tijde van de uitspraak reeds in voorlopige hechtenis.

Betrokken advocaten

mr. V. Senczuk

verdachte

Advocatenkantoor Drenth & Senczuk, UTRECHT

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

2 april 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

16/205188-25

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBMNE:2026:1302

Bekijk op rechtspraak.nl