Juristi.nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:402Civiel Recht

Houtbedrijf moet CAO-premies betalen — RBMNE:2026:402

werkingssfeer algemeen verbindend verklaarde CAO / premieplicht houthandel

Eiser / verzoeker

Stichting Fonds voor Onderzoek, Opleiding en Arbeidsverhoudingen in de Houthandel

VS

Verweerder / gedaagde

[gedaagde] B.V.

De kantonrechter verklaart voor recht dat het gedaagde bedrijf onder de werkingssfeer van de CAO Stichting Fonds valt en veroordeelt het tot betaling van de premies over 2023 en 2024.

  • Chemische modificatie van hout (acetylering) valt onder het begrip 'verduurzamen van hout' in de CAO-werkingssfeerbepaling
  • Het hoofdzakelijkheidscriterium is vervuld omdat de kern van de bedrijfsactiviteiten bestaat uit het acetyleringsproces
  • De innovatieve of atypische aard van het productieproces ontslaat een onderneming niet van de CAO-verplichting
  • Inschrijving bij KvK met SBI-code 16102 (verduurzamen van hout) ondersteunt de taalkundige uitleg van de werkingssfeerbepaling

Samenvatting

Een Utrechtse kantonrechter heeft geoordeeld dat een bedrijf dat gemodificeerd hout produceert onder de werkingssfeer valt van de algemeen verbindend verklaarde CAO Stichting Fonds voor Onderzoek, Opleiding en Arbeidsverhoudingen in de Houthandel. Het bedrijf, dat handelt onder de namen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2], moet daardoor de onbetaalde premies over de jaren 2023 en 2024 alsnog betalen.

Het draait in deze zaak om een bijzonder product: [productienaam]®, een vorm van chemisch bewerkt hout dat wordt gemaakt van snelgroeiend naaldbomenhout uit Nieuw-Zeeland. Het bedrijf past een zogeheten acetyleringsproces toe, waarbij het hout met azijnzuuranhydride wordt behandeld. Hierdoor veranderen de moleculaire eigenschappen van het hout: het neemt minder water op, rot niet en is minder vatbaar voor insecten. Het eindresultaat is een product dat de kwaliteiten van hardhout evenaart of overtreft, zonder gebruik van giftige stoffen.

Het bedrijf weigerde de premies te betalen omdat het zich niet beschouwt als onderdeel van de traditionele houthandel. Het zwaartepunt van zijn activiteiten zou liggen bij chemie, engineering en onderzoek en ontwikkeling, niet bij de handel in hout. Bovendien zou door het chemische modificatieproces het eindproduct strikt genomen geen hout meer zijn. Het bedrijf is gevestigd op een bedrijventerrein voor schone technologieën en ziet zichzelf als een chemisch-technologisch bedrijf.

De kantonrechter gaat daar niet in mee. De CAO-bepaling spreekt van het 'verduurzamen van hout' en geeft geen nadere omschrijving of uitzonderingen. Taalkundig gezien valt het acetyleringsproces van het bedrijf gewoon onder dit begrip: het hout wordt door de chemische bewerking duurzamer gemaakt. Dat het misschien een atypisch of innovatief proces is, doet daar niet aan af. De rechter wijst er ook op dat het bedrijf bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven met de SBI-code 16102, die staat voor 'verduurzamen van hout'. Bovendien benoemt de branchevereniging Verduurzaamd Hout Nederland chemische modificatie met azijnzuuranhydride expliciet als voorbeeld van houtverduurzaming.

Het argument dat [productienaam]® geen hout meer zou zijn, snijdt evenmin hout volgens de rechter. Het product wordt gemaakt van hout, aangeprezen als hout en gebruikt als hout — voor kozijnen, deuren, gevelbekleding en terrassen. Zonder hout is er geen [productienaam]®. Ook het feit dat de CAO-partijen destijds mogelijk niet aan zo'n specifiek industrieel proces hebben gedacht, baat het bedrijf niet. Innovatie binnen verduurzaming is nu eenmaal een vanzelfsprekend onderdeel van de sector.

Het bedrijf voerde verder aan dat de CAO Houthandel arbeidsvoorwaarden bevat die niet passen bij zijn bedrijfscultuur en dat het weinig nut heeft van deelname aan de CAO Stichting Fonds. De Stichting wees er echter op dat zij diensten aanbiedt die ook voor dit bedrijf relevant zijn, zoals duurzame inzetbaarheid en arbo-gerelateerde zaken. De rechter merkt bovendien op dat de eventuele onwenselijkheid van de arbeidsvoorwaarden uit de CAO Houthandel een kwestie is die los staat van de premieplicht op basis van de CAO Stichting Fonds — en in deze procedure verder buiten beschouwing blijft.

De rechtbank wijst de vordering van Stichting Fonds toe: er komt een verklaring van recht dat het bedrijf onder de werkingssfeer van de CAO valt, en de verschuldigde premies over 2023 en 2024 moeten worden betaald.

Betrokken advocaten

mr. J.R. Versluis

eisende partij

Cleerdin & Hamer, AMSTERDAM

mr. C. van Haasteren

gedaagde partij

Norton Rose Fulbright, AMSTERDAM

mr. A.F.R. Govers

gedaagde partij

Norton Rose Fulbright, AMSTERDAM

mr. W.M. Blom

gedaagde partij

Norton Rose Fulbright, AMSTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

21 januari 2026

Rechtsgebied

Civiel Recht

Zaaknummer

11801127 \ UC EXPL 25-5952

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBMNE:2026:402

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Huisarts krijgt geen gelijk in ruzie om werkruimtes gedeelde praktijk
Rechtbank Midden-Nederland·1 april 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1356
Rechtbank Midden-Nederland·27 maart 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1357
Rechtbank Midden-Nederland·27 maart 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1355
Rechtbank Midden-Nederland·26 maart 2026
Civiel Recht
RBMNE:2026:1354
Rechtbank Midden-Nederland·26 maart 2026
Civiel Recht