Juristi.nl
ECLI:NL:RBNHO:2015:7842Bestuursrecht; Belastingrecht

Escortbureau moet btw betalen over volledige klantvergoeding — RBNHO:2015:7842

omzetbelasting / btw-heffingsgrondslag escortbureau (bemiddeling versus volledige dienstverlening)

Eiser / verzoeker

[X] h.o.d.n. [X1], exploitante van een escortbureau

VS

Verweerder / gedaagde

Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam

De rechtbank oordeelde dat het escortbureau btw verschuldigd was over de volledige door klanten betaalde vergoeding, niet alleen over de bemiddelingscommissie, en liet de naheffingsaanslag grotendeels in stand.

  • Het escortbureau leverde vanuit het perspectief van de klant één volledige escortdienst en was daardoor btw verschuldigd over de totale door de klant betaalde vergoeding, niet slechts over de bemiddelingscommissie.
  • De vernietiging van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2003 bindt de Belastingdienst niet in de omzetbelastingprocedure, omdat de grondslagen van beide belastingen verschillen.
  • Aan algemene informatie op de website van de Belastingdienst kan geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een specifieke handelwijze fiscaal correct is.
  • De boete bleef in stand maar vereiste nadere motivering, met name voor zover deze gebaseerd was op grove schuld wegens het niet volledig op aangifte voldoen van omzetbelasting.
  • Het Gerechtshof Amsterdam had eerder al vastgesteld dat er geen dienstbetrekking bestond tussen het escortbureau en de escortdames, maar dit oordeel liet de btw-plicht over de volledige vergoeding onverlet.

Samenvatting

Een vrouw die in Haarlem een escortbureau runde onder de naam [X1] kreeg van de Belastingdienst een forse naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 2002 tot en met 2004. De centrale vraag was: moest zij btw afdragen over het volledige bedrag dat klanten betaalden voor escortdiensten, of alleen over haar eigen bemiddelingsvergoeding?

Het escortbureau werkte als volgt: klanten belden de eigenaresse, spraken een bedrag en een tijdsduur af, en betaalden dit bedrag contant aan de escortdame die naar hen toe werd gestuurd. De escortdame droeg vervolgens een deel van dat geld af aan het bureau en eventueel aan de chauffeur. De vrouw stelde zich op het standpunt dat zij slechts bemiddelde tussen escortdames en klanten, en dus alleen btw verschuldigd was over haar eigen commissie.

De Belastingdienst zag dat anders. Volgens de inspecteur ging de vrouw zelf een rechtsbetrekking aan met de klant: zij maakte de afspraken, bepaalde de prijzen, regelde het vervoer, handelde klachten af en ontving betalingen via de escortdame. Vanuit het perspectief van de klant was sprake van één dienst die het bureau leverde. Daarom zou btw moeten worden afgedragen over de volledige door de klant betaalde vergoeding.

De rechtbank gaf de Belastingdienst gelijk op dit hoofdpunt. Uit de feiten bleek duidelijk dat de vrouw niet slechts als tussenpersoon fungeerde maar zelf de dienst aanbood: zij adverteerde, stelde de tarieven vast, beantwoordde klachten en regelde het vervoer. Daarmee was sprake van een volledige escortdienst geleverd door het bureau, en was btw verschuldigd over het totale bedrag.

Een apart geschilpunt betrof het jaar 2003. De naheffingsaanslag voor dat jaar was eerder al onderwerp geweest van een procedure over inkomstenbelasting, waarbij de navorderingsaanslag was vernietigd. De vrouw betoogde dat de Belastingdienst ook in de btw-procedure gebonden was aan die vernietiging. De rechtbank verwierp dit: de grondslag voor de twee soorten belasting verschilt, en de vernietiging van de navorderingsaanslag bleek een administratieve fout te zijn geweest die de Belastingdienst niet bindt in de omzetbelasting.

Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel — de vrouw stelde dat zij op basis van informatie op de website van de Belastingdienst mocht aannemen dat haar handelwijze correct was — haalde het niet. De rechtbank oordeelde dat aan dergelijke algemene website-informatie geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend voor een specifieke situatie.

Wat betreft de boete van bijna negenduizend euro die naast de naheffing was opgelegd, kon de rechtbank niet volledig beoordelen of de motivering juist was. De boete was deels gebaseerd op schending van de administratieplicht en deels op grove schuld. De rechtbank stuurde dit onderdeel terug voor nadere motivering, maar liet de boete als zodanig in stand voor zover deze was gebaseerd op het niet volledig afdragen van belasting.

Al met al werd het beroep van de vrouw grotendeels afgewezen. De naheffingsaanslag bleef in stand op het na bezwaar verminderde bedrag van ruim 45.000 euro. Alleen op het punt van de boete moest de Belastingdienst een nadere toelichting geven.

Betrokken advocaten

mr. P.J.M. Verploeg

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 augustus 2015

Zaaknummer

AWB - 14 _ 512

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBNHO:2015:7842

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter beslist over verliesverrekening fiscale eenheid in vpb-zaak
Rechtbank Noord-Holland·25 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2919
Rechtbank Noord-Holland·19 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2308
Rechtbank Noord-Holland·4 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2306
Rechtbank Noord-Holland·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2304
Rechtbank Noord-Holland·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht