ECLI:NL:RBNHO:2017:2519, Rechtbank Noord-Holland, 22-03-2017, AWB - 15 _ 5803 — RBNHO:2017:2519
Samenvatting
Eiser is laatstelijk in een fulltime dienstverband werkzaam geweest. Op 30 oktober 2014 is deze arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 februari 2015. Met ingang van 1 januari 2015 is eiser op zijn eigen verzoek door de ex-werkgever deeltijdontslag van 10% verleend en is de werktijdfactor (wtf) omgezet in 0,9 uur. Per 1 januari 2015 ontvangt eiser hiervoor een ABP-Keuzepensioen (het prepensioen) van 10%, € 69,20 netto per maand. Eiser heeft met ingang van 2 februari 2015 een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft het door eiser ontvangen prepensioen met ingang van 2 februari 2015 in mindering zal worden gebracht op zijn WW-uitkering. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn redenering of er op 1 januari 2015 een arbeidsurenverlies is, ten onrechte het GAA per 1 februari 2015 betrekt. De bepaling van artikel 3:5 derde lid van het AIB ziet louter op de feitelijke vaststelling of er een arbeidsurenverlies is per 1 januari 2015 en of eiser hiervoor een pensioenuitkering heeft gekregen. Daarvan is op dat moment sprake. Voor de stelling van verweerder dat dit arbeidsurenverlies ook moet resulteren in werkloosheid in de zin van artikel 16 van de WW (dus tenminste vijf uren per week) is in de bepalingen van het AIB noch anderszins een grondslag of aanwijzing te vinden. Verweerder doet daarbij een beroep op het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren. (..) De rechtbank is van oordeel dat ook voor een dergelijke samenhang tussen beide regelingen geen grondslag bestaat. Uit de Nota van Toelichting van de huidige gewijzigde bepaling 3:5 van het AIB kan worden opgemaakt dat het deeltijdpensioen niet wordt gekort op de WW-uitkering die samenhangt met dezelfde resterende dienstbetrekking waaruit de werknemer vervolgens volledig werkloos wordt en dat dit geen wijziging is van de huidige (lees: oude) situatie. Uit deze toelichting kan de rechtbank niet anders begrijpen dan dat het deeltijdpensioen niet wordt gekort op de WW-uitkering die samenhangt met dezelfde resterende dienstbetrekking waaruit de werknemer vervolgens volledig werkloos wordt. Deze toelichting geeft ook geen enkele aanwijzing dat het arbeidsurenverlies per 1 januari 2015 werkloosheid in de zin van artikel 16 van de WW tot gevolg moet hebben. Er is geen wijziging beoogd van de huidige (lees: oude) situatie. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder het prepensioen ten onrechte heeft gekort op eisers WW-uitkering. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank voorziet daarbij niet zelf in deze zaak, omdat zij niet kan overzien of zij daartoe over alle benodigde gegevens beschikt.
Betrokken advocaten
mr. C.F. Sitvast
eiser
K. Ruisch
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:4866, Rechtbank Rotterdam, 15-04-2025, ROT 24/5929 V en ROT 25/2132
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:4861, Rechtbank Rotterdam, 15-04-2025, ROT 25/2114 en ROT 25/1914
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNHO:2022:8813, Rechtbank Noord-Holland, 29-09-2022, 10068894 VV EXPL 22-113
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Arbeidsrecht
ECLI:NL:RBMNE:2020:5095, Rechtbank Midden-Nederland, 18-11-2020, AWB - 20 _ 781
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
22 maart 2017
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
AWB - 15 _ 5803
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2017:2519