ECLI:NL:RBNHO:2023:2874, Rechtbank Noord-Holland, 30-03-2023, C/15/323142 / FA RK 21-6025 — RBNHO:2023:2874
Samenvatting
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Partnerbijdrage Nu beide partijen het primaire standpunt innemen dat de behoefte van de vrouw moet worden vastgesteld op basis van een behoeftelijst, sluit de rechtbank hierbij aan. Nu de vrouw een behoeftelijst heeft ingediend waarop zij haar verzoek om een door de man te betalen bijdrage van € 14.635 bruto heeft gebaseerd en nu de man hierop in detail heeft gereageerd door per post te onderbouwen welke kosten de vrouw volgens hem in redelijkheid zal maken, lag het op de weg van de vrouw om per post nader te onderbouwen en te specificeren en aan te tonen dat haar behoefte hoger ligt dan wat de man stelt. Dit heeft de vrouw niet gedaan, nu zij slechts in het algemeen heeft gesteld dat zij op de door haar ingediende -summiere- behoeftelijst reële dan wel met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten heeft opgenomen. De vrouw heeft naar oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende onderbouwd dat haar behoefte hoger is dan € 3.500 netto per maand welke de man heeft gesteld. De rechtbank bepaalt de behoefte van de vrouw daarom op € 3.500 netto per maand. De rechtbank houdt geen rekening met een verdiencapaciteit van de vrouw, onder andere omdat zij weliswaar op de loonlijst van de onderneming van de man stond, maar niet in geschil is dat zij feitelijk geen werkzaamheden behoefde te verrichten voor deze onderneming. Bij het bepalen van het bedrag dat de man zich als dividend kan doen uitkeren houdt de rechtbank geen rekening met de door de man opgevoerde reservering voor pensioenopbouw, omdat niet is gebleken dat de man op dit moment een pensioenvoorziening heeft getroffen of dit op korte termijn zal doen, en de man op de zitting verklaard heeft dat zijn investering in onroerend goed mede gezien kan worden als een pensioenvoorziening. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden Peildatum omvang en samenstelling te verrekenen vermogen. Op grond van art. 5 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden van partijen eindigde de door hen overeengekomen periodieke verrekenplicht op het moment dat zij niet meer met elkaar samenwoonden. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in september 2019 de echtelijke woning heeft verlaten. Vanaf dat moment woonden partijen dus niet meer samen. De vrouw stelt dat de man na september 2019 nog vaak in de echtelijke woning verbleef, dat hij op het adres van de echtelijke woning bleef ingeschreven, en dat hij daar zijn post ontving en zijn goederen hield. De man heeft volgens de vrouw pas in januari 2021 aan de vrouw meegedeeld dat hij van haar wenste te scheiden. Daarom is pas in januari 2021 de relatie van partijen verbroken en de echtelijke samenwoning beëindigd, aldus de vrouw. De man betwist dat hij na september 2019 vaak in de echtelijke woning verbleef, en voert aan dat hij nadien af en toe in de echtelijke woning kwam om de kinderen te halen of te brengen of om spullen op te halen. De vrouw heeft deze stelling, tegenover de betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd, zodat die niet is komen vast te staan. Ook in de overige stellingen van de vrouw, als deze al zouden komen vast te staan, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat de samenwoning pas in januari 2021 zou zijn beëindigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de samenwoning van partijen in september 2019 is beëindigd. Nu immers vast staat dat de man in september 2019 zijn intrek heeft genomen in een andere woning, kan niet worden gezegd dat partijen vanaf dat moment nog langer samenwoonden. De rechtbank bepaalt daarom 1 september 2019 als peildatum voor de bepaling van de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen. De rechtbank is van oordeel dat nu partijen buiten gemeenschap van goederen gehuwd zijn, de en/of bankrekeningen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot een tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap in de zin van 3:166 BW behoren. De saldi van de bankrekeningen lenen zich daarom niet voor verdeling. De rechtbank stelt vast dat de saldi van de bankrekeningen tot het te verrekenen vermogen behoren. Verdeling eenvoudige gemeenschap De man verzoekt te bepalen dat hij een vergoedingsrecht jegens de eenvoudige gemeenschap heeft van 176.039 euro, zijnde de overwaarde van een woning die privé-eigendom van hem was, welk bedrag de man heeft aangewend voor verbouwingen van de echtelijke woning. De vrouw betwist dit. De man heeft facturen overgelegd waaruit blijkt dat er een aanzienlijke verbouwing aan de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. De man heeft niet door middel van bankafschriften aangetoond dat hij die facturen heeft voldaan met zijn privévermogen. De man heeft onbetwist gesteld dat partijen in totaal een bedrag van € 897.435 moesten voldoen in verband met de aankoop van de echtelijke woning, en dat partijen om de aankoop te financieren een hypothecaire geldlening van € 907.000 hebben afgesloten. Niet in geschil is ook dat de totale kosten van de verbouwing meer bedroegen dan de overwaarde van de woning aan [adres]. De man heeft onbetwist gesteld dat partijen voor het financieren van de verbouwing geen ander geld ter beschikking hadden dan zijn geld uit de overwaarde van de woning aan [adres] en de hypothecaire geldlening. Naar oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het niet anders kan dan dat de man het bedrag van € 176.039 uit zijn privévermogen heeft aangewend om de verbouwingkosten te voldoen. De man heeft dus ter zake van dit bedrag een vergoedingsrecht jegens de eenvoudige gemeenschap.
Betrokken advocaten
SmeetsGijbels, AMSTERDAM
SmeetsGijbels, AMSTERDAM
MK-advocaat, HAARLEM
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:14875, Rechtbank Rotterdam, 01-10-2025, C/10/680680 / HA ZA 24-514tv
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2025:1748, Gerechtshof Amsterdam, 08-07-2025, 200.346.884/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHAMS:2024:2362, Gerechtshof Amsterdam, 16-07-2024, 200.298.161/01 + 200.298.163/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2024:532, Gerechtshof Amsterdam, 13-02-2024, 200.315.083/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2023
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
C/15/323142 / FA RK 21-6025
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2023:2874