ECLI:NL:RBNHO:2023:7261, Rechtbank Noord-Holland, 21-06-2023, 23/441 — RBNHO:2023:7261
Samenvatting
Natuur Ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend aan een golfclub voor onder meer het vangen en doden van konijnen op een golfterrein. Verweerder heeft in voldoende mate onderbouwd dat sprake is van schade aan en overlast op het golfterrein van de golfclub die het verlenen van de ontheffing rechtvaardigt. De rechtbank overweegt over de vraag of er een andere bevredigende oplossing is als volgt. Het konijn is niet een diersoort die in Nederland wordt beschermd onder de Habitatrichtlijn. Met betrekking tot diersoorten die onder de Habitatrichtlijn worden beschermd, is verweerder bij toepassing van zijn bevoegdheid uit artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder a, Wnb verplicht om het ontbreken van alternatieve maatregelen nauwkeurig en passend te motiveren. Gelet op de systematiek van de Wnb geldt deze maatstaf uit artikel 16 van de Habitatrichtlijn ook voor het inzetten van maatregelen ter bestrijding van diersoorten die niet onder de bescherming van de Habitatrichtlijn vallen, zoals de soort konijn. Verweerder heeft concreet en toereikend gemotiveerd waarom er geen andere bevredigende oplossing is om schade of overlast aan het golfterrein veroorzaakt door de konijnen te voorkomen. Niet in geschil is dat de staat van instandhouding van konijnen in Nederland ongunstig is. De rechtbank volgt eiseressen niet in hun (primaire) standpunt dat per definitie afbreuk wordt gedaan aan het streven de konijnen in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan indien een soort op landelijk – of regionaal – niveau in een ongunstige staat van instandhouding verkeert, zoals hier met betrekking tot de soort konijn het geval is. Er is namelijk geen aanleiding de eis met betrekking tot de gunstige staat van instandhouding minder strikt uit te leggen als het om nationaal beschermde organismen gaat. Verweerder heeft er van uit kunnen gaan dat het verlenen van de ontheffing geen (relevante) gevolgen heeft voor de staat van instandhouding van de konijnenpopulatie op het golfterrein, op het relevante lokale niveau rondom het golfterrein en op het regionale, het landelijke en het grensoverschrijdende niveau. De ontheffing is ten slotte niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag van Aarhus. Verweerder hoefde daarom niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen.
Betrokken advocaten
mr. F. Sassen
eiser
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:607, Raad van State, 04-02-2026, 202207125/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNHO:2026:594, Rechtbank Noord-Holland, 20-01-2026, 22/4848
Rechtbank Noord-Holland · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2026:7, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-01-2026, 23/941
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6369, Raad van State, 24-12-2025, 202404735/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
21 juni 2023
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
23/441
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2023:7261