Juristi.nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:109Bestuursrecht; Belastingrecht

Rechtbank wijst beroepen tegen waterschapsbelasting af — RBNHO:2026:109

waterschapsbelasting / dwangsom bestuursrecht

Eiser / verzoeker

anonieme particulier (wonende te woonplaats)

VS

Verweerder / gedaagde

ambtenaar belast met de heffing en invordering van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond: er was geen dwangsom verbeurd en de waterschapsbelastingaanslag van € 447,71 bleef in stand.

  • Geen dwangsom verbeurd omdat de beslissing op bezwaar (19 oktober 2023) vóór de eerste dag waarop een dwangsom kon verschuldigd zijn (20 oktober 2023) werd genomen
  • Alle bezwaren tegen de waterschapsbelastingaanslag 2024, waaronder grondwettelijke bezwaren, EVRM-schendingen, onbevoegdheid ondertekenaar en kostentoedelingskritiek, werden verworpen
  • Eiser verscheen niet op de zitting ondanks tijdige en correcte uitnodiging via Mijn Rechtspraak

Samenvatting

Een inwoner uit Noord-Holland voerde twee rechtszaken tegen het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK): één over een vermeende dwangsom die het waterschap zou hebben verbeurd, en één over de rechtmatigheid van zijn waterschapsbelastingaanslag voor 2024 van ruim 447 euro.

In de eerste zaak stelde de eiser dat verweerder te laat had beslist op zijn bezwaar, waardoor een dwangsom verschuldigd zou zijn. De rechtbank moest beoordelen of de beslissing op bezwaar van 19 oktober 2023 tijdig was genomen. Omdat de ingebrekestelling op 5 oktober 2023 was ontvangen, zou de eerste dag waarop een dwangsom kon verschuldigd zijn pas 20 oktober 2023 zijn geweest. De beslissing op bezwaar werd echter op 19 oktober 2023 genomen, dus vóór die datum. De rechtbank oordeelde dat er geen dwangsom was verbeurd.

In de tweede zaak voerde de eiser een indrukwekkend aantal bezwaren aan tegen de waterschapsbelastingaanslag. Hij betwistte onder meer de bevoegdheid van degene die de beslissing op bezwaar had ondertekend, de vraag of zijn adres wel binnen het beheersgebied van HHNK valt, de grondwettigheid van waterschapsbelasting in het algemeen en de geldigheid van de onderliggende verordeningen. Daarnaast stelde hij dat sprake was van schending van Europese mensenrechtenverdragen, het gelijkheidsbeginsel en diverse andere rechtsbeginselen. Ook bekritiseerde hij de kostentoedeling tussen verschillende categorieën belastingplichtigen, de hoogte van het ingezetenenpercentage en het forfait voor de zuiveringsheffing.

De rechtbank verwierp al deze bezwaren en verklaarde beide beroepen ongegrond. De eiser was overigens zonder bericht van verhindering niet verschenen op de zitting van 9 september 2025, ondanks dat hij tijdig en op de juiste wijze was uitgenodigd via het digitale systeem Mijn Rechtspraak. De rechtbank verbond hier geen gevolgen aan en behandelde de zaak op basis van de stukken.

De uitspraak illustreert een patroon dat vaker voorkomt bij waterschapsbelastingzaken: belastingplichtigen voeren een breed scala aan principiële en technische bezwaren aan tegen de belastingheffing door waterschappen, variërend van grondwettelijke bezwaren tot gedetailleerde kritiek op begrotingsmethoden en kostenverdeelsleutels. De rechtbank volgde geen van deze argumenten en handhaafde de aanslag volledig.

Betrokken advocaten

mr. [naam 1]

verweerder

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

9 januari 2026

Zaaknummer

AWB 24/7509

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBNHO:2026:109

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter beslist over verliesverrekening fiscale eenheid in vpb-zaak
Rechtbank Noord-Holland·25 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2919
Rechtbank Noord-Holland·19 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2308
Rechtbank Noord-Holland·4 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2306
Rechtbank Noord-Holland·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
RBNHO:2026:2304
Rechtbank Noord-Holland·3 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht