ECLI:NL:RBNNE:2021:2294, Rechtbank Noord-Nederland, 08-06-2021, LEE 21/1432 (verzoek om voorlopige voorziening) en LEE 21/1433 (beroep) — RBNNE:2021:2294
Samenvatting
In het besluit van 10 september 2020 heeft verweerder de aan verzoeker verleende drank- en horecawetvergunning en terrasvergunning ten behoeve van een café in Drachten ingetrokken. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder ruimte heeft om vast te stellen wat slecht levensgedrag is in de zin van de Drank- en Horecawet (de DHW) en welke feiten en omstandigheden daarbij van belang zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat door slecht levensgedrag aan de zijde van verzoeker intrekking van de drank- en horecawetvergunning geboden was. Daarbij is van belang dat verweerder met zijn brief van 23 juli 2020 te kennen heeft gegeven dat de incidenten die daarvóór hebben plaatsgevonden niet voldoende waren voor de conclusie dat sprake was van slecht levensgedrag als bedoeld in de DHW. Verweerder heeft toen dan ook afgezien van intrekking van de drank- en horecawetvergunning. Verweerder heeft in die brief verder beoogd een duidelijke grens te trekken, in die zin dat verzoeker weliswaar het voordeel van de twijfel werd gegeven en de kans om zijn vergunningen te behouden, maar dat wel onder de uitdrukkelijke voorwaarde hij in de periode volgende op 23 juli 2020 geen gedrag zou vertonen dat van invloed kan zijn op de beoordeling of sprake is van slecht levensgedrag aan zijn kant. Voorts is van belang dat het enig incident dat ná 23 juli 2020 heeft plaatsgehad, te weten het incident van 7 augustus 2020, een vermeend gebrek aan naleving van regels uit de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Fryslân 15 juli 2020 door bezoekers van het café betreft. Niet in geschil is dat dat incident niet heeft geleid tot het opleggen van een bekeuring aan verzoeker, dan wel enig andere maatregel jegens hem en/of het café. Bij de beoordeling of sprake is van slechts levensgedrag kan dit incident dan ook niet worden betrokken, zodat verzoeker hierdoor niet -in de woorden van verweerder- zijn laatste kans heeft verspeeld. De voorzieningenrechter acht het daarom niet gerechtvaardigd dat verweerder het incident van 7 augustus 2020 en eerdere incidenten in zijn besluitvorming heeft gestapeld om tot het standpunt van slecht levensgedrag aan de zijde van verzoeker te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich voorts in dit geval evenmin in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat zich in het café feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de drank- en horecawetvergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid als bedoeld in de DHW. Daarbij is van belang hetgeen hiervoor is overwogen over de strekking van de brief van 23 juli 2020. In die brief heeft verweerder niet aangegeven dat een incident inzake de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid ná 23 juli 2020 direct zou kunnen leiden tot intrekking van de vergunningen. Voorts is van belang dat niet is komen vast te staan dat bovengenoemde vrees door het incident van 7 augustus 2020 is gewettigd. Verweerder heeft die vrees niet gemotiveerd in zijn besluiten. Daar komt bij dat verweerder noch actoren uit de strafrechtketen in dat incident aanleiding hebben gezien om tegen het café en/of verzoeker op te treden, anders dan middels het primaire besluit. Dat terwijl verweerder ter zitting heeft erkend dat naar aanleiding van dat incident -voor zover dat als rechtens vaststaand moet worden beschouwd- andere maatregelen dan intrekking van de drank- en horecawetvergunning in de rede liggen, zoals een last onder dwangsom of bevel tot tijdelijke sluiting van het café. Daarnaast is van belang dat verweerder niet heeft geconcretiseerd wanneer in dit geval in de toekomst van bovengenoemde vrees geen sprake meer zou zijn. Daarmee krijgt de intrekking van de drank- en horecawetvergunning een meer permanent karakter. Tevens slaat de voorzieningenrechter in dit kader acht op verzoekers toezegging dat hij er voor zal zorgdragen dat zich in het café geen incidenten (meer) zullen voordoen en dat alle geldende wetten en regels worden nageleefd. De voorzieningenrechter acht het daarom onvoldoende onderbouwd en daarmee tevens disproportioneel dat verweerder in september 2020 de drank- en horecawetvergunning voor het café heeft ingetrokken wegens gesteld gevaar voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. De voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in dit geval ten onrechte is overgegaan tot intrekking van de drank- en horecawetvergunning op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de DHW. Nu de drank- en horecawetvergunning ten onrechte is ingetrokken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om de terrasvergunning op grond van de APV in te trekken. De voorzieningenrechter verklaart het beroep, vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk en herroept het primaire besluit van 10 september 2020. De herroeping van het primaire besluit betekent dat de intrekking van de vergunningen met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt.
Betrokken advocaten
mr. N. Wiersma
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2025:6836, Rechtbank Midden-Nederland, 23-12-2025, 11877388
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNNE:2025:42, Rechtbank Noord-Nederland, 08-01-2025, C/18/232599 / HA ZA 24-62
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht; Goederenrecht
ECLI:NL:RBNNE:2024:1166, Rechtbank Noord-Nederland, 14-02-2024, 10839712 AR VERZ 23-86
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht; Arbeidsrecht
ECLI:NL:GHARL:2023:4942, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-06-2023, 200.314.012/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
8 juni 2021
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
LEE 21/1432 (verzoek om voorlopige voorziening) en LEE 21/1433 (beroep)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:2294