ECLI:NL:RBNNE:2021:4418, Rechtbank Noord-Nederland, 15-10-2021, LEE 20/2652 — RBNNE:2021:4418
Samenvatting
Mijnbouwschade / Awb / bezwaar te laat ingediend / geen verschoonbare termijnoverschrijding / evenredigheidsbeginsel / belang eiser om rechtsbescherming en belang verweerder om rechtszekerheid staan centraal / wetgever heeft reeds onderkend dat onverkort vasthouden aan bezwaartermijn kan leiden tot onbillijkheden / niet evident dat eiser zonder goede grond in hoge mate de schadevergoeding is onthouden waarop hij krachtens de betrokken wettelijke bepalingen recht heeft. Beroep ongegrond verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat het primaire besluit op 20 februari 2020 aan eiser is toegezonden en dat eiser dat besluit daarna heeft ontvangen. Ook is niet in geschil dat eisers reactie op het primaire besluit niet binnen de bezwaartermijn is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van eiser geen grond vormen om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Hoewel te begrijpen is dat eiser een moeilijke periode heeft doorgemaakt en de situatie als gevolg van de corona-lockdown lastig voor hem was, ontslaan die omstandigheden hem niet van zijn verantwoordelijkheid om op tijd op het primaire besluit te reageren. Verweerder heeft eiser in het primaire besluit uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen binnen zes weken na de datum van dat besluit. Daar komt bij dat niet in geschil is dat de zaakbegeleider eiser op de bezwaarmogelijkheid heeft gewezen. Daarnaast betrekt de rechtbank dat eiser het primaire besluit heeft ontvangen ruim twee weken voordat de coronacrisis begon. Niet gebleken is dat eiser geen mogelijkheid had om een andere persoon te machtigen om namens hem tijdig een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen. Daarbij slaat de rechtbank acht op het feit dat eiser tijdens de bezwaartermijn wel de mogelijkheid heeft benut om een aannemer in te schakelen, ter voorbereiding van een contra-expertise. Dat verweerder lang over de behandeling van eisers aanvraag heeft gedaan, maakt deze omstandigheden niet anders. Ook maakt die lange behandeling niet dat eiser de wettelijke bezwaartermijn opzij kan schuiven. Uit de Memorie van Toelichting bij de Tijdelijke wet Groningen volgt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de bepalingen van hoofdstuk 6 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) van toepassing te verklaren op het bezwaar dat door de aanvrager kan worden ingesteld tegen een besluit van verweerder. Ook is er uitdrukkelijk voor gekozen om vast te houden aan de bezwaartermijn van zes weken. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in de overige stellingen van eiser evenmin aanleiding voor de conclusie dat verweerder niet mocht beslissen tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaarschrift. Nu het verzuim in het onderhavige geval niet verschoonbaar is, biedt artikel 6:11 van de Awb geen ruimte voor een belangenafweging als gevolg waarvan buiten het kader van dat artikel een uitzondering kan worden toegestaan op een voor eiser fatale termijn. De rechtbank begrijpt de stellingen van eiser hierbij aldus dat ook in het geval er geen sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, en er daarom sprake is van een gebonden bevoegdheid op grond waarvan verweerder gehouden is eiser niet-ontvankelijk te verklaren, de gelding van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb met zich mee kan brengen dat verweerder, en in het verlengde daarvan de rechtbank, tot het oordeel zou moeten kunnen komen dat het kennelijk onredelijk is om tot niet-ontvankelijkheid van eiser te oordelen. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser kennelijk meent, bij de uitoefening van de onderhavige bevoegdheid om eiser niet-ontvankelijk te verklaren niet de toekenning en de omvang van de schadevergoeding centraal staat maar de vraag of eiser toegang moet krijgen tot de rechtsbescherming in de vorm van een nieuwe bestuurlijke beoordeling en in het verlengde daarvan een rechterlijke toetsing van die beoordeling. Hoewel de toegang tot de rechtsbescherming een groot goed is, betekent het enkele feit dat die toegang wordt onthouden niet op voorhand dat eiser de schadevergoeding wordt onthouden waarop hij recht heeft. In deze procedure staat daarom niet het belang van eiser op schadevergoeding centraal maar het belang van eiser om rechtsbescherming te verkrijgen en het belang van verweerder om rechtszekerheid te verkrijgen omtrent de gelding van zijn besluiten. De rechtbank sluit niet op voorhand uit dat ook voor zover een bevoegdheid op grond van een wet in formele zin een gebonden karakter heeft, de toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb met zich mee zou kunnen brengen dat in een bijzonder geval die gebonden bepaling niet onverkort wordt toegepast. De rechtbank komt aan de beoordeling van de vraag of de rechtbank een dergelijke toets kan voltrekken echter niet toe omdat de wetgever zelf reeds heeft onderkend dat onverkort vasthouden aan de geldende bezwaar- en beroepstermijn kan leiden tot onbillijkheden en daarom heeft voorzien in de mogelijkheid om van niet-ontvankelijkverklaring af te zien indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid kan het bestuursorgaan en de bestuursrechter beoordelen of het onredelijk zou zijn om gelet op de specifieke omstandigheden van eiser, de rechtszekerheid van verweerder voor te laten op de belangen van eiser om toegelaten te worden tot de rechtsbescherming. Voor een verdergaande toets ziet de rechtbank in deze geen aanknopingspunten. Dat zou, mede in het licht van de doelstellingen van de TwG, slechts anders kunnen zijn indien het, ook zonder een meer dan oppervlakkige kennisname van het dossier door de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden, evident zou zijn dat eiser zonder goede grond in hoge mate de schadevergoeding zou worden onthouden waarop hij krachtens de betrokken wettelijke bepalingen recht heeft. De rechtbank acht het overigens in het licht van de doelstellingen van de TwG niet goed voorstelbaar dat verweerder, geconfronteerd met een dergelijk geval niet ambtshalve een nieuw besluit op bezwaar zou nemen zodat eiser alsnog zou krijgen waar hij recht op heeft. In de onderhavige zaak is daarvan echter geen sprake. Vaststaat dat eisers aanvraag inhoudelijk door verweerder is behandeld en beoordeeld, met inachtneming van de deskundigenadviezen van Jasper en Hummel. Daar heeft eiser geen contra-expertise tegenovergesteld, laat staan een contra-expertise waaruit evident blijkt dat hem zonder goede grond de schadevergoeding is onthouden als hiervoor bedoeld. In dat licht bezien is het ook niet aannemelijk geworden dat een volledige heroverweging in de bezwaarfase zou hebben geleid tot de conclusie dat eiser recht heeft op een veel hogere schadevergoeding dan toegekend in het primaire besluit. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Betrokken advocaten
mr. S.C. Goldbohm
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:328, Rechtbank Amsterdam, 14-01-2026, AMS 24/527, AMS 24/538, AMS 24/3088, AMS 24/3250, AMS 24/3412, AMS 24/3795, AMS 24/3886, AMS 24/3914, AMS 24/4104, AMS 24/4106 en AMS 24/7137
Rechtbank Amsterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBGEL:2024:7062, Rechtbank Gelderland, 09-10-2024, C/05/396947 / HA ZA 21-607 en C/05/402238 / HA ZA 22-153
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2024:1746, Rechtbank Den Haag, 17-01-2024, C/09/619500 / HA ZA 21-933 (term motorbrandstoffen)
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBNNE:2022:2553, Rechtbank Noord-Nederland, 15-07-2022, LEE 21/2480
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
15 oktober 2021
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
LEE 20/2652
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:4418