ECLI:NL:RBNNE:2025:3257, Rechtbank Noord-Nederland, 01-08-2025, LEE 24/4776 — RBNNE:2025:3257
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn aanvraag om toekenning van schadevergoeding wegens fysieke schade aan het pand [adres]. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut het bezwaarschrift van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Partijen zijn het er over eens dat eisers bezwaarschrift ontvankelijk was op het moment dat eiser dat indiende. Verder staat vast dat eiser tijdens de bezwaarprocedure een overeenkomst heeft gesloten tot verkoop van de woning en de woning tijdens die procedure aan de kopers heeft geleverd. In de akte van levering staat artikel 4. Eiser en het Instituut verschillen van mening over de uitleg van dat artikel. Bij cessie moet de vordering op grond van artikel 3:98, in samenhang met artikel 3:84, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), in voldoende mate door de akte worden bepaald. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de eis dat de over te dragen vordering voldoende ‘bepaald’ moet zijn, niet strikt moet worden uitgelegd. Voor het overdragen van vorderingen is voldoende dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. De vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (de Haviltex-maatstaf). In haar uitspraak van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:851) heeft deze rechtbank – na het stellen van prejudiciële vragen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – overwogen dat de vraag of een vordering is gecedeerd, moet worden beantwoord aan de hand van een uitleg van de overeenkomst tussen partijen door middel van de Haviltex-maatstaf. Hierbij geldt dat de vraag hoe in een overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op basis van enkel een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst. Voor de beantwoording komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. De rechtbank overweegt dat in dit geval artikel 4 van de akte van levering een standaardbepaling is. In artikel 4 wordt niet gesproken over (vorderingen ter vergoeding van) schade als gevolg van mijnbouw of (specifieker) aardbevingen. Dat eisers vordering voor schadevergoeding wegens fysieke schade aan de woning al bestond ruim voordat de verkoop en levering van de woning plaatsvonden, maakt niet dat de vordering dus onder artikel 4 van de akte van levering valt. Gekeken moet worden naar de bedoeling van partijen, in dit geval eiser en de kopers. Uit eisers onbetwiste verklaringen ter zitting volgt dat die vordering geen onderwerp is geweest van gesprekken of onderhandelingen tussen eiser en de kopers. Er zijn daarmee geen aanwijzingen dat die vordering ten tijde van de verkoop en levering van de woning onder de aandacht van eiser en de kopers was. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de wil van eiser en de kopers ten tijde van de verkoop en levering van de woning niet was gericht op overdracht van die vordering aan de kopers en dat daarover daarna op dat punt ook geen wilsovereenstemming is bereikt. Daar komt bij dat een rechtsgeldige cessie ook vereist dat mededeling wordt gedaan aan de schuldenaar, terwijl niet is gebleken dat dit in het onderhavige geval is gebeurd. Van (stille) cessie kan daarom in dit geval geen sprake zijn. In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Instituut zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er tijdens de behandeling van eisers bezwaarschrift sprake is geweest van cessie van de vordering voor schadevergoeding wegens fysieke schade aan de woning aan de kopers. De rechtbank concludeert dat de vordering niet door eiser aan de kopers is overgedragen. Eiser is dan ook de eigenaar van die vordering tot schadevergoeding. Nu eisers vordering tijdens de bezwaarfase niet is gecedeerd, is de rechtbank van oordeel dat het Instituut zich in het bestreden besluit op bezwaar ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers belang bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaarschrift was komen te vervallen. Het Instituut heeft eiser in dat besluit ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in deze zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van eisers bezwaar. Het Instituut moet in de bezwaarfase alsnog een volledige heroverweging maken op basis van eisers bezwaargronden en die volledige heroverweging verwerken in een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt het Instituut op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Betrokken advocaten
mr. A.G. Sol
eiser
mr. B.P. van der Togt
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2026:191, Rechtbank Noord-Nederland, 14-01-2026, LEE23/1396
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:4119, Rechtbank Noord-Nederland, 26-09-2025, LEE25/1214
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:3301, Rechtbank Noord-Nederland, 10-07-2025, LEE 23/1661
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:2468, Rechtbank Noord-Nederland, 06-06-2025, LEE24/4707
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 augustus 2025
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
LEE 24/4776
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2025:3257