Juristi.nl
ECLI:NL:RBNNE:2025:3352Bestuursrecht; Omgevingsrecht

ECLI:NL:RBNNE:2025:3352, Rechtbank Noord-Nederland, 14-08-2025, LEE 25/2529 — RBNNE:2025:3352

Samenvatting

Last onder dwangsom ter beëindiging van opslaan en verwerken riet afkomstig van daken Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet het riet in het onderhavige geval worden aangemerkt als een afvalstof. Dit ongeacht de vraag of het al dan niet van een dak afkomstig is en zo ja, of het al dan niet geïmpregneerd is. Voor de vraag wat een afvalstof is, verwijst de Omgevingswet (Ow) naar de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 1.1, eerste lid, van de Wm worden afvalstoffen omschreven als alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Anders dan verzoekster betoogt, is in dit geval de leverancier van het riet degene die bij het snijden van het rieten, het dekken van daken en het slopen van daken een grote hoeveelheid riet genereert die het rietdekkersbedrijf verder niet kan gebruiken. In die zin is er volgens de voorzieningenrechter in beginsel sprake van een afvalstof als bedoeld in de Ow en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De voorzieningenrechter is er voorts niet op voorhand van overtuigd dat een afvalstof die een nuttige toepassing heeft als bedoeld in artikel 1.1, zesde lid, van de Wm, de einde-afval status pas kan bereiken na het accepteren van die afvalstof en het daarbij behorende opslaan van die afvalstof zoals het college stelt. Indien een stof een nuttige toepassing heeft die voldoet aan de vereisten van artikel 1.1., zesde lid, van de Wm verliest het zijn afvalstatus. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien dat het opslaan van riet waarvoor zonder nadere bewerking een nuttige toepassing bestaat, niet zou mogen zonder omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter betrekt hierbij de vergelijking die door verzoekster is gemaakt ten aanzien van stro dat voor de verbouwer van graan een afvalstof is, maar voor de veehouder een nuttige bodembedekker. Het komt de voorzieningenrechter onwaarschijnlijk voor dat elke veehouder eerst een omgevingsvergunning zou moeten aanvragen voor de opslag van het stro dat later als bodembedekker wordt gebruikt. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat de verklaring van de leverancier van 21 mei 2025 niet afdoet aan het feit dat de leverancier eerder heeft verklaard dat een deel van het aan verzoekster geleverde riet van gesloopte daken afkomstig is en dat doorgaans onbekend is of het riet geïmpregneerd is of niet. Daarmee bestaat de sterke verdenking dat het voorafgaand aan de last aan verzoekster geleverde riet is verontreinigd met impregneermiddelen. Tegen die achtergrond ligt het op de weg van verzoekster om aan te tonen dat het op haar perceel opgeslagen riet over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid heeft zoals bedoeld in artikel 1.1., zesde lid, aanhef en onder d, van de Wm. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster daarin niet geslaagd. Er moet daarom vooralsnog worden aangenomen dat in dit geval sprake is van een afvalstof en dat de einde-afvalstof status voor wat betreft het riet dat afkomstig is van gesloopte rietdaken niet is bereikt. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal kunnen houden, nu ten tijde van de last sprake was van een milieubelastende activiteit op het perceel in de vorm van het opslaan en verwerken van riet als bedrijfsafvalstoffen zonder dat verzoekster daarvoor een vergunning heeft. De voorzieningenrechter is zich er verder van bewust dat het riet dat afkomstig is van daken wordt aangevoerd met en wordt opgeslagen met het riet van natuurgebieden. Het feit dat op deze wijze het riet wat waarschijnlijk wel een einde-afval status heeft, vermengd is met riet dat moet worden aangemerkt als sloopafval, komt voor rekening en risico van verzoekster. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het college in dit geval terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van overtreding door verzoekster van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Ow in samenhang gelezen met de artikelen 3.184, eerste lid, en 3.185, eerste lid, van het Bal. Het college was daarmee in beginsel bevoegd om handhavend op te treden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de last onder dwangsom en het voortduren daarvan niet onevenredig. Dat beëindiging van de overtreding de nodige moeite van verzoekster kost en de nodige investeringen van haar vergt, moeten voor rekening en risico van verzoekster blijven. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien, heeft het college de last onder dwangsom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht aan verzoekster opgelegd. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Wel ziet de voorzieningenrechter, gelet op het belang van verzoekster om niet direct na deze uitspraak geconfronteerd te worden met een mogelijke verbeurte van een dwangsom, aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn genoemd in de last onder dwangsom met terugwerkende kracht wordt verlengd tot zeven dagen na de datum van verzending van deze uitspraak.

Betrokken advocaten

mr. J.M.M. Kroon

verzoeker

Bosselaar Strengers Legal Partners, UTRECHT

mr. T.I. van Stelten

verzoeker

Bosselaar Strengers Legal Partners, UTRECHT

mr. L.M. Blankestijn

verzoeker

Rotshuizen Geense Advocaten, LEEUWARDEN

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

14 augustus 2025

Zaaknummer

LEE 25/2529

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBNNE:2025:3352

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBNNE:2026:954
Rechtbank Noord-Nederland·25 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:969
Rechtbank Noord-Nederland·18 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:778
Rechtbank Noord-Nederland·12 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:766
Rechtbank Noord-Nederland·11 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:688
Rechtbank Noord-Nederland·27 februari 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht