ECLI:NL:RBNNE:2025:4552, Rechtbank Noord-Nederland, 04-11-2025, 18.400825.24 — RBNNE:2025:4552
Samenvatting
De rechtbank veroordeelt verdachte voor (feit 1 primair): poging moord en (feit 2) het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet. Opgelegd wordt: een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Tevens wordt opgelegd de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (contactverbod met het slachtoffer). Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar. Voorts wordt opgelegd de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt daartoe onder meer het volgende: Ten aanzien van het opzet: Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen het volle opzet gehad om aangeefster te doden. Hij stond immers op twee à drie meter afstand van haar, heeft zijn vuurwapen in zijn hand genomen, de veiligheidspal ontgrendeld, het wapen op aangeefster gericht en zes keer geschoten. Aangeefster is geraakt in haar hals en schouder, en heeft bovenop haar hoofd een verwonding opgelopen waarin een scherfdeel van een kogel is achterbleven. Het staat voor de rechtbank buiten enige twijfel dat verdachte aangeefster dodelijk had kunnen verwonden. Ten aanzien van de voorbedachte raad: Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit én dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte was in het bezit van een geladen vuurwapen, dat hij in de binnenzak van zijn jas de woning van aangeefster heeft binnengebracht. Dit vormt een sterke aanwijzing dat verdachte al op dat moment rekening hield met het gebruik van (dodelijk) geweld. Verdachte heeft vervolgens het vuurwapen ter hand genomen, de veiligheidspal ontgrendeld en op korte afstand gericht zes schoten op aangeefster afgevuurd. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het hele handelen van verdachte daarmee zozeer gericht op het planmatig uitvoeren van een eerder voorgenomen besluit dat het, behoudens contra-indicaties, er voor gehouden moet worden dat verdachte zich van te voren rekenschap heeft kunnen geven van zijn besluit om aangeefster te beschieten en van de gevolgen daarvan, en hij dat ook heeft gedaan. De rechtbank betrekt hierbij dat er geen enkele aanwijzing bestaat dat er in de onmiddellijke aanloop naar het schieten iets is voorgevallen dat bij verdachte heeft kunnen leiden tot een zodanige gemoedsopwelling dat zijn handelen daaruit verklaard zou kunnen worden.
Betrokken advocaten
mr. R. van Essen
verdachte
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:10089, Rechtbank Amsterdam, 16-12-2025, 71/399889-24
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:7490, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31-10-2025, 02-041168-25
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:19757, Rechtbank Den Haag, 28-10-2025, C/09/693692/ KG RK 25-1466
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:8371, Rechtbank Rotterdam, 04-07-2025, 10.093869.25, vordering TUL VV: 10.091161.24
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
4 november 2025
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Strafrecht; Materieel StrafrechtZaaknummer
18.400825.24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2025:4552