Beroep toeslagenslachtoffer uit Wagenborgen niet-ontvankelijk na ondertekening vaststellingsovereenkomst — RBNNE:2026:1001
niet-tijdig beslissen / toeslagenaffaire / vaststellingsovereenkomst
Eiser / verzoeker
Eiseres uit Wagenborgen (erkend slachtoffer toeslagenaffaire)
Verweerder / gedaagde
Dienst Toeslagen
Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres geen procesbelang meer had na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met Stichting Gelijkwaardig Herstel.
- Bestuursrechter kan geldigheid van een privaatrechtelijke vaststellingsovereenkomst niet beoordelen en moet uitgaan van de geldigheid ervan.
- De vaststellingsovereenkomst met SGH beëindigde alle lopende procedures, waardoor Dienst Toeslagen niet meer verplicht was op het bezwaar te beslissen.
- Eiseres had geen procesbelang bij haar beroep wegens niet-tijdig beslissen, omdat het beroep werd ingesteld ná het sluiten van de vaststellingsovereenkomst.
- Aanvechting van de vaststellingsovereenkomst wegens gebrekkige totstandkoming moet via de civiele rechter of buitengerechtelijke vernietiging plaatsvinden.
- Geen proceskostenveroordeling en geen griffierecht-vergoeding, nu eiseres zelf beroep instelde ondanks de eerder gesloten overeenkomst.
Samenvatting
Een vrouw uit Wagenborgen die erkend slachtoffer is van de kinderopvangtoeslagenaffaire, stapte naar de rechter omdat Dienst Toeslagen niet op tijd zou hebben beslist op haar bezwaar. De rechtbank verklaarde haar beroep echter niet-ontvankelijk, omdat zij zelf eerder een overeenkomst had gesloten die haar procedure feitelijk al had beëindigd.
De vrouw had in december 2024 bezwaar ingediend bij Dienst Toeslagen. Daarna meldde zij zich aan bij Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH), een organisatie die toeslagenslachtoffers helpt bij het herstel van hun situatie. In april 2025 sloot zij met SGH een vaststellingsovereenkomst. In zo'n overeenkomst worden afspraken gemaakt over een compensatie, maar wordt ook vastgelegd dat lopende juridische procedures worden stopgezet en dat beide partijen daarna geen verdere claims meer kunnen indienen.
Ondanks die overeenkomst stuurde haar advocaat in juni 2025 alsnog een ingebrekestelling naar Dienst Toeslagen, met het verzoek binnen twee weken een besluit te nemen op het bezwaar. Toen dat uitbleef, werd in oktober 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een beslissing.
Dienst Toeslagen wees de rechtbank op de vaststellingsovereenkomst die al in april was ondertekend — ruim vóór het instellen van het beroep. Namens de vrouw werd aangevoerd dat de totstandkoming van de overeenkomst niet goed was verlopen: zij zou niet hebben begrepen wat de gevolgen waren van haar handtekening, en haar advocaten waren niet betrokken geweest bij het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank werd gevraagd 'creatief' te oordelen, zodat het bezwaar toch inhoudelijk beoordeeld kon worden.
De rechtbank ging daar niet in mee. Als de vrouw twijfelt aan de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst — bijvoorbeeld omdat zij niet goed is geïnformeerd of omdat er sprake was van dwaling — dan kan zij die overeenkomst aanvechten via de civiele rechter of buitengerechtelijk vernietigen. De bestuursrechter heeft echter geen bevoegdheid om de geldigheid van zo'n privaatrechtelijke overeenkomst te beoordelen en moet er dus van uitgaan dat de overeenkomst geldig is.
Dat heeft directe gevolgen voor de beroepszaak. Omdat in de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat alle lopende procedures worden beëindigd en partijen over en weer geen aanspraken meer hebben, had Dienst Toeslagen feitelijk geen verplichting meer om op het bezwaar te beslissen. De vrouw had daardoor geen rechtens te beschermen belang meer bij haar beroep — en dat is een vereiste om door de rechter ontvangen te worden.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en zag geen reden om het griffierecht terug te betalen of een proceskostenveroordeling uit te spreken, omdat de vrouw zelf beroep instelde nadat de vaststellingsovereenkomst al was gesloten.
Betrokken advocaten
mr. F. Heinink
eiser
mr. I. Mulder
verweerder
mr. M. Krari
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2026:1025, Rechtbank Rotterdam, 30-01-2026, ROT 24/11130
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:10874, Rechtbank Gelderland, 12-12-2025, ARN 25/2101
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBOBR:2025:7868, Rechtbank Oost-Brabant, 04-12-2025, 25/351
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:22398, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, 25/558
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Bestuursrecht; BestuursprocesrechtZaaknummer
LEE 25/4279
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:1001