Rechter wijst schorsing dwangsominvordering boerenwinkel af — RBNNE:2026:1039
bestuursrecht / handhaving / invordering dwangsom / omgevingsvergunning
Eiser / verzoeker
Verzoekster (naam anoniem)
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; de gemeente mag de ingevorderde dwangsommen van €2.500 en €5.000 behouden.
- Geen spoedeisend belang: de gevolgen voor het bedrijfsconcept zijn toe te rekenen aan de last onder dwangsom, niet aan de invorderingsbesluiten.
- Een louter financieel belang rechtvaardigt in beginsel geen voorlopige voorziening, tenzij een acute financiële noodsituatie aannemelijk is.
- Verzoekster heeft niet inzichtelijk gemaakt dat betaling van de dwangsommen haar bedrijf in financiële nood zou brengen.
- De nevenactiviteiten en winkel maken samen minder dan tien procent uit van de totale bedrijfsomzet, wat een financiële noodsituatie minder aannemelijk maakt.
- Het verzoek kon alleen betrekking hebben op het eerste en tweede invorderingsbesluit; de later genomen derde en vierde invorderingsbesluiten vielen buiten de omvang van dit geding.
Samenvatting
Een ondernemer in de gemeente De Fryske Marren probeerde via de rechter te voorkomen dat de gemeente dwangsommen op haar kon verhalen. Die dwangsommen waren opgelegd omdat zij in haar agrarische bedrijf producten verkocht die niet productiegebonden zijn — wat in strijd is met de omgevingsvergunning die zij in 2020 had gekregen voor het uitbreiden van nevenactiviteiten.
Het college van burgemeester en wethouders had de ondernemer in november 2025 al een last onder dwangsom opgelegd. Toen bleef de overtreding doorgaan, volgden in korte tijd meerdere invorderingsbesluiten. In februari 2026 werd eerst €2.500 ingevorderd na een controle op 31 januari, daarna €5.000 na controles op 5 en 7 februari. Begin maart volgden nog twee invorderingsbesluiten van elk €5.000. In totaal werd zo €17.500 aan dwangsommen ingevorderd.
De ondernemer stapte naar de rechter en vroeg om schorsing van de invorderingsbesluiten. Zij betoogde dat de handhaving haar bedrijf ernstig schaadde: het bedrijfsconcept zou structureel zijn aangetast, zij zou grond hebben moeten verkopen en er zou een reëel risico bestaan op beëindiging van de onderneming met verlies van banen.
De voorzieningenrechter ging daar niet in mee. Centraal in de beoordeling stond de vraag of er voldoende spoedeisend belang was om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. De rechter maakte een belangrijk onderscheid: de gevolgen voor het bedrijfsconcept zijn primair het gevolg van de last onder dwangsom zelf — niet van de invorderingsbesluiten. De procedure ging echter alleen over die invorderingsbesluiten.
Het belang bij schorsing van de invordering is daarmee in de kern een puur financieel belang, en dat is volgens vaste rechtspraak in beginsel onvoldoende voor een voorlopige voorziening. Financiële schade kan immers worden vergoed als later blijkt dat de besluiten onrechtmatig waren. Alleen als aannemelijk is dat iemand in een acute financiële noodsituatie terechtkomt — bijvoorbeeld doordat de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt — kan dat anders zijn.
Die drempel haalde de ondernemer niet. Zij maakte op geen enkele manier inzichtelijk dat betaling van de dwangsommen haar bedrijf zou ruïneren. De gestelde noodzaak tot grondverkoop bleef onbewezen. De rechter wees er ook op dat de nevenactiviteiten, inclusief de winkel, samen minder dan tien procent uitmaken van de totale omzet van het agrarische bedrijf.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de gemeente de ingevorderde dwangsommen van €2.500 en €5.000 mag behouden totdat in de bezwaarprocedure een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de invorderingsbesluiten is gegeven.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:6362, Raad van State, 24-12-2025, 202303687/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5497, Rechtbank Noord-Nederland, 23-12-2025, LEE AWB 25/5078
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:4521, Raad van State, 24-09-2025, 202304434/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:4520, Raad van State, 24-09-2025, 202303899/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
26-698
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:1039