Juristi.nl
ECLI:NL:RBNNE:2026:406Bestuursrecht

Rechtbank wijst claim immateriële schadevergoeding aardbevingsschade af — RBNNE:2026:406

immateriële schadevergoeding mijnbouwschade / aardbevingsschade Groningen

Eiser / verzoeker

Eiser en eiseres (woonachtig in plaats 2, voorheen plaats 1)

Verweerder / gedaagde

Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG)

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en liet de afwijzing van de aanvragen om immateriële schadevergoeding in stand.

  • Het IMG beoordeelt immateriële schadevergoeding alleen op basis van adressen waar de aanvrager daadwerkelijk als hoofdbewoner heeft gewoond (BRP-registratie), niet op basis van eigendom van andere panden
  • De woning in het aardbevingsgebied (plaats 2) telde niet mee omdat eisers daar tijdens de aanvraagperiode niet woonden
  • Eisers scoorden twee punten op de methodiek van het IMG, terwijl minimaal drie punten vereist zijn voor toekenning van een vergoeding
  • De rechtbank bevestigde dat de ondergrens van drie punten in de regeling rechtmatig is gesteld

Samenvatting

Een stel uit Groningen vroeg het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) om vergoeding van immateriële schade wegens de stress en frustratie die zij ondervonden door het aardbevingsdossier. De rechtbank Noord-Nederland wees hun beroepen echter af.

Het echtpaar woonde in een woning in plaats 1, maar was eigenaar geworden van een woning in plaats 2 — de voormalige woning van de oma van de man. Die woning maakte deel uit van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). Het stel had de langgekoesterde wens om 'echt buiten te gaan wonen' en had plannen om in 2022 naar de nieuwe woning te verhuizen. Door het lopende versterkingstraject moesten ze echter wachten op duidelijkheid over of de woning al dan niet versterkt moest worden. Die onzekerheid leidde volgens hen tot frustratie, stress, een gevoel van werkdruk en het wegvallen van interesse in hobby's.

Het IMG wees de aanvragen om immateriële schadevergoeding af, omdat de regeling alleen kijkt naar woningen waar de aanvrager daadwerkelijk als hoofdbewoner heeft gewoond — vastgelegd in de Basisregistratie Personen. De woning in plaats 2 stond weliswaar in het aardbevingsgebied en maakte deel uit van de versterkingsoperatie, maar het stel woonde er ten tijde van de aanvraag niet. Daarmee viel die woning buiten de beoordelingsgrondslag. De woning in plaats 1, waar ze wél woonden, maakte géén deel uit van de versterkingsoperatie.

Het stel verzette zich hiertegen en verweet het IMG 'systeemdenken': de regeling zou te star worden toegepast en zou voorbijgaan aan hun concrete situatie. Ze beriepen zich ook op de tweede bouwsteen van de methodiek van het IMG, die betrekking heeft op de veiligheidssituatie van de woning. Die bouwsteen levert een aanwijzing op voor persoonsaantasting als de woning van de aanvrager deel uitmaakt van de versterkingsoperatie. Eisers stelden dat de onzekerheid over de woning in plaats 2 ook via die weg meegewogen zou moeten worden.

De rechtbank volgde dat standpunt niet. Zij oordeelde dat het IMG een deugdelijk gemotiveerde keuze heeft gemaakt om bij de beoordeling van onveiligheidsgevoelens te kijken naar de feitelijke woonsituatie: alleen als iemand daadwerkelijk in een pand woont dat onderdeel is van de versterkingsoperatie, kan worden aangenomen dat die persoon onveiligheidsgevoelens ervaart over dat verblijf. Wie elders woont en een andere woning bezit die in de versterkingsoperatie zit, valt buiten die redenering.

Bij de beoordeling scoorde het stel op basis van de methodiek twee punten: één punt voor de locatie van de woning in plaats 1 en één punt voor de omvang van schade aan die woning. Op de veiligheidssituatie en de doorlooptijd scoorden zij nul punten. Voor toekenning van een vergoeding van 1.500 euro zijn minimaal drie punten vereist, gecombineerd met een bepaald profiel uit de Persoonlijke Impact Analyse. Het stel haalde die drempel niet.

De rechtbank erkende de frustratie van het echtpaar, maar stelde vast dat de door hen aangevoerde omstandigheden — zoals onzekerheid en lange wachttijden — al zijn meegewogen in de Persoonlijke Impact Analyse, die uitkwam op profiel 3 (ernstig ervaren leed). Dat profiel was echter niet voldoende om in combinatie met twee punten een vergoeding te rechtvaardigen. De rechtbank bevestigde bovendien dat het IMG de ondergrens voor toekenning van immateriële schadevergoeding terecht hoger heeft gelegd dan bij twee punten. Daarnaast wees het IMG erop dat het stel via de NCG mogelijk recht heeft op een eenmalige vergoeding van 2.500 euro voor de overlast van het lange wachten en de onzekerheid rondom de versterking. De beroepen werden ongegrond verklaard.

Betrokken advocaten

mr. L. Sijbrandij-Leyten

het Instituut

mr. R.L. Gritter

het Instituut

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

10 februari 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

LEE 25/2130 en LEE 25/2131

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBNNE:2026:406

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst schorsing dwangsominvordering boerenwinkel af
Rechtbank Noord-Nederland·31 mrt 2026
Bestuursrecht
RBNNE:2026:1051
Rechtbank Noord-Nederland·30 mrt 2026
Bestuursrecht
RBNNE:2026:1003
Rechtbank Noord-Nederland·27 mrt 2026
Bestuursrecht